Nieuwsarchief
Op deze pagina vindt u het archief met onze tips en adviezen. Wilt u meer informatie of heeft u vragen? Neem dan contact op met Onderweegs & De Groot Accountants en Belastingadviseurs.
 
  • Tot de vrije verstrekkingen behoren, in redelijkheid, verstrekkingen ter zake van een dienstjubileum, mits de verstrekking een in hoofdzaak ideële waarde heeft. Volgens Hof Den Haag is dat niet het geval bij hotelbonnen.
    Tot de vrije verstrekkingen behoren, in redelijkheid, verstrekkingen ter zake van een dienstjubileum, mits de verstrekking een in hoofdzaak ideële waarde heeft. Volgens Hof Den Haag is dat niet het geval bij hotelbonnen. Bij een boekenonderzoek constateert de Belastingdienst dat een werkgever onbelast hotelbonnen heeft verstrekt aan werknemers die vijf of tien jaar in dienst zijn. Mede naar aanleiding hiervan legt de fiscus naheffingsaanslagen loonheffing op. De werkgever is het hier niet mee eens en uiteindelijk mag Hof Den Haag zich hierover buigen. Voor het hof staat ter discussie of de hotelbonnen verstrekkingen zijn met een ideële waarde. Het hof geeft aan dat een hotelbon naar zijn aard wordt gebruikt om te kunnen genieten van een hotelovernachting al dan niet met ontbijt. Een hotelbon heeft derhalve een gebruikswaarde. Gelet hierop hebben de verstrekte hotelbonnen niet in hoofdzaak een ideële waarde. De verstrekte hotelbonnen kwalificeren dan ook als loon in natura. Daaraan doet niet af dat deze hotelbonnen niet met goed fatsoen kunnen worden doorverkocht vanwege sociale controle. De verstrekte hotelbonnen moeten worden gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer. Tussen partijen is die waarde niet in geschil. Bron: Hof Den Haag 22-05-2013
    Lees verder >
  • De Belastingdienst mag oude informatie gebruiken om een belastingplichtige een informatiebeschikking op te leggen, zo blijkt uit een recente uitspraak van Rechtbank Den Haag. Wel moet de informatie relevant zijn voor de belastingheffing van nog openstaande jaren.
    De Belastingdienst mag oude informatie gebruiken om een belastingplichtige een informatiebeschikking op te leggen, zo blijkt uit een recente uitspraak van Rechtbank Den Haag. Wel moet de informatie relevant zijn voor de belastingheffing van nog openstaande jaren. De betreffende zaak kwam aan het rollen nadat de Belastingdienst van de Belgische fiscus fotokopieën had gekregen van overzichten van Belgische bankrekeningen van Nederlandse rekeninghouders. Volgens deze overzichten had een Nederlandse vrouw in 1994 en 1996 een Belgische bankrekening. Ook hield zij obligaties en andere effecten aan. Toen de inspecteur haar hiermee confronteerde, ontkende de vrouw de buitenlandse bankrekening te hebben. Ook weigerde ze om saldigegevens te verstrekken over de jaren 2008 tot en met 2010. Daarop legde de inspecteur een informatiebeschikking op. Toen de vrouw hiertegen in beroep ging, vond de rechtbank dat de inspecteur eerst aannemelijk moest maken dat de Belgische bankrekening inderdaad van de vrouw was. De inspecteur slaagde hierin, waarna de rechtbank oordeelde dat de informatiebeschikking terecht was opgelegd. De gevraagde informatie was van belang voor de belastingheffing. En hoewel de fotokopieën van de Belgische overzichten uit 1994 en 1996 stamden, was deze oude informatie wel degelijk relevant. Het lag namelijk voor de hand dat de vrouw de bankrekeningen nog altijd aanhield, aangezien het om effecten ging die vaak voor langere tijd worden aangehouden. Bron: Rb. Den Haag 27-06-2013
    Lees verder >
  • Als een werknemer vanwege zijn dienstbetrekking dubbele huisvestingskosten moet maken, bijvoorbeeld doordat hij elders in het land wordt gedetacheerd, mogen deze kosten maximaal twee jaar onbelast worden vergoed. Hof Den Haag heeft onlangs geoordeeld dat deze termijn niet per dienstbetrekking geldt, maar per opdracht.
    Als een werknemer vanwege zijn dienstbetrekking dubbele huisvestingskosten moet maken, bijvoorbeeld doordat hij elders in het land wordt gedetacheerd, mogen deze kosten maximaal twee jaar onbelast worden vergoed. Hof Den Haag heeft onlangs geoordeeld dat deze termijn niet per dienstbetrekking geldt, maar per opdracht. In de betreffende zaak had de inspecteur een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd aan een werkgever die de dubbele huisvestingskosten van zijn gedetacheerde werknemers langer dan twee jaar had vergoed, terwijl de wet spreekt over een maximale periode van twee jaar. De werkgever voerde aan dat deze periode betrekking had op meerdere opdrachten bij verschillende opdrachtgevers, en dat de tweejaarstermijn per opdracht zou moeten gelden. Ook betoogde hij dat het niet reëel was om te verwachten dat zijn werknemers bij elke nieuwe opdracht zouden verhuizen. Ook om deze reden was het volgens de werkgever logisch dat de huisvestingskosten in dit geval langer dan twee jaar werden vergoed. Rechtbank Den Haag was het met de inspecteur eens dat de tweejaarstermijn voor de hele dienstbetrekking gold, maar Hof Den Haag oordeelde anders. Volgens het hof geldt deze termijn per tewerkstelling of opdracht. Het hof stelde dat de zienswijze van de rechtbank – en de inspecteur – ertoe zou leiden dat een werkgever tijdens elke periode van dubbele huisvesting zou moeten bijhouden of hiervoor in het verleden al een vergoeding was uitbetaald. Dit kon volgens het hof niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest. De huisvestingskosten mochten daarom pér opdracht maximaal twee jaar worden vergoed. Omdat in dit geval alle opdrachten van de betreffende werknemers niet langer dan twee jaar hadden geduurd, konden alle uitbetaalde vergoedingen voor dubbele huisvesting onbelast blijven. Hof Den Haag 22-05-2013
    Lees verder >
  • Omdat een in Nederland woonachtige binnenvaartmatroos met een Luxemburgse werkgever als rijnvarende werkzaam was op het schip van een in Nederland gevestigde onderneming, was hij volgens Hof Den Haag op basis van het Rijnvarendenverdrag niet in Luxemburg maar in Nederland verzekerd voor de volksverzekeringen.
    Omdat een in Nederland woonachtige binnenvaartmatroos met een Luxemburgse werkgever als rijnvarende werkzaam was op het schip van een in Nederland gevestigde onderneming, was hij volgens Hof Den Haag op basis van het Rijnvarendenverdrag niet in Luxemburg maar in Nederland verzekerd voor de volksverzekeringen. Een in Nederland woonachtige binnenvaartmatroos is met ingang van 2 februari 2006 in loondienst bij een Luxemburgse vennootschap. In dat jaar heeft hij premies sociale zekerheid betaald in Luxemburg, waarvoor hij een E-106 verklaring in zijn bezit had, die is afgegeven op grond van Verordening (EEG) 1408/71. Het motortankschip waarop hij vaart is eigendom van een ondernemer, handelend onder een in Nederland gevestigde V.o.f.. Het schip wordt met een winstoogmerk ingezet in de Rijnvaart. In 2004 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat een Rijnvaartverklaring uitgereikt aan de V.o.f. In geschil is of de matroos in 2006 in Nederland premieplichtig is voor de volksverzekeringen. Op basis van zijn woonplaats en leeftijd is volgens het hof de binnenvaartmatroos van rechtswege in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de volksverzekeringen. Het is aan hem om vervolgens te stellen en aannemelijk te maken dat hij niet in Nederland is verzekerd. Daar hij zijn arbeid verricht aan boord van een schip dat met winstoogmerk in de Rijnvaart wordt gebruikt, acht het hof het aannemelijk dat het schip is voorzien van een Rijnvaartcertificaat. Vervolgens oordeelt het hof dat dit leidt tot het van toepassing zijn van het Rijnvarendenverdrag om de sociale verzekeringsplicht te bepalen. Het Rijnvarendenverdrag bepaalt dat de sociale zekerheidswetgeving van het land waar de zetel van de onderneming zich bevindt, aan boord waarvan de rijnvarende arbeid verricht, van toepassing is. Het hof neemt het oordeel van de rechtbank over dat de V.o.f. moet worden aangemerkt als de exploitant van het schip, doordat het aannemelijk wordt geacht dat de vrachtopbrengsten toekomen aan de V.o.f. De matroos valt dus onder de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving. Zijn stelling dat de inspecteur in strijd handelt met het gelijkheidsbeginsel of zorgvuldigheidsbeginsel, wijst het hof af. De uitvoering van de volksverzekeringen is niet mede opgedragen aan de Belastingdienst. Geen rechtsregel of rechtsbeginsel, dus ook niet het gelijkheidsbeginsel, verplicht de inspecteur om een ongelijke behandeling tussen rechtens mogelijk gelijke gevallen die door het handelen van de Sociale Verzekeringsbank is ontstaan, weg te nemen. Bron: Hof Den Haag 31-07-2013
    Lees verder >
  • Een payrollbedrijf kon volgens de rechter niet aansprakelijk worden gesteld voor de uitbetaling van zwart loon aan uitzendkrachten. De inspecteur kon niet aannemelijk maken dat het payrollbedrijf op de hoogte was dat haar klanten, enkele uitzendbureaus, lonen zwart uitbetaalden.
    Een payrollbedrijf kon volgens de rechter niet aansprakelijk worden gesteld voor de uitbetaling van zwart loon aan uitzendkrachten. De inspecteur kon niet aannemelijk maken dat het payrollbedrijf op de hoogte was dat haar klanten, enkele uitzendbureaus, lonen zwart uitbetaalden. Een payrollbedrijf dat is opgericht op 12 december 2007, was verantwoordelijk voor de payrollactiviteiten van drie uitzendbureaus. Op basis van de aangeleverde gegevens zorgde het payrollbedrijf voor de facturatie van de verloonde uren aan de inleners van de arbeidskrachten. De uitzendbureaus werkten met zogenaamde padregistraties. Een padregistratie is een systeem waarbij de arbeidskrachten een code in moeten toetsen bij de aanvang van de werkzaamheden en bij het beëindigen van de werkzaamheden. De uitzendbureaus stelden uit de padregistraties urenlijsten samen en overhandigden die aan belanghebbende voor het factureren van de loonkosten en het verlonen van de gewerkte uren. De inspecteur is in 2011 bij het payrollbedrijf begonnen met een boekenonderzoek. Uit dit boekenonderzoek en een derden onderzoek blijkt dat de uitzendkrachten meer loon hebben ontvangen dan is aangegeven door het payrollbedrijf. De inspecteur kwam tot deze conclusie door de padregistraties. Uit onderzoek bleek dat meerdere uitzendkrachten naast hun regulier loon ook geld contant kregen uitbetaald. De inspecteur heeft de naheffingsaanslagen opgelegd voor de niet-verloonde uren naar een netto uurloon van € 5,50, gebruteerd naar het anoniementarief. Bij het hoger beroep in deze zaak speelt de vraag of het payrollbedrijf inhoudingsplichtige is voor de zwart uitbetaalde uren? Volgens het hof is de inspecteur niet in geslaagd om aan te tonen dat het payrollbedrijf de uitbetaler van het zwart geld was. Uit de gedingstukken en de verklaringen van partijen ter zitting leidt het hof af dat de arbeidskrachten feitelijk werkzaam waren voor hun uitzendbureaus, de uitzendbureaus de arbeidskrachten wierven, selecteerden en instructies gaven, de uren en vakantiedagen bijhielden; de arbeidskrachten door een meewerkend voorman van het uitzendbureau werden beoordeeld en de uitzendbureaus urenrapportages voor de facturering en de verloning naar het payrollbedrijf stuurden. De inspecteur heeft niet kunnen aantonen dat het payrollbedrijf wist en ook toegang had tot de padregistraties. Het feit dat er extra geld is uitbetaald door de uitzendbureaus zonder dat dit is doorgegeven aan het payrollbedrijf is niet te wijten aan de payrollonderneming. De arbeidskrachten waren formeel in dienstbetrekking bij de payroller, maar het is niet aannemelijk dat dit bedrijf ook de uitbetaler was van zwart loon en of daar iets mee van doen heeft gehad. Ter zake van deze lonen is daarom het payrollbedrijf niet aan te merken als werkgever en inhoudingsplichtige.
    Lees verder >
  • Hof Amsterdam heeft geoordeeld dat een tandartsenechtpaar de leningen aan een piramidespel niet ten last van hun maatschap konden brengen. Ook als de middelen daadwerkelijk uit hun onderneming afkomstig zouden zijn, waren de middelen zodanig belegd dat niet redelijkerwijze kon worden aangenomen dat deze weer tijdig in de onderneming beschikbaar zouden zijn.
    Hof Amsterdam heeft geoordeeld dat een tandartsenechtpaar de leningen aan een piramidespel niet ten last van hun maatschap konden brengen. Ook als de middelen daadwerkelijk uit hun onderneming afkomstig zouden zijn, waren de middelen zodanig belegd dat niet redelijkerwijze kon worden aangenomen dat deze weer tijdig in de onderneming beschikbaar zouden zijn. Het echtpaar in kwestie drijft in een maatschap een tandartsenpraktijk. In 2004 heeft het echtpaar geld, afkomstig van hun privéspaarrekening, uitgeleend aan een ‘zakenrelatie’. Hiervan zijn schuldbekentenissen opgemaakt. In totaal gaat het om een bedrag van € 190.000. Naar aanleiding van vragen van de inspecteur heeft het echtpaar verklaard dat het geld niet vanuit de onderneming is uitgeleend en dat de leningen niet zijn overgedragen aan de onderneming. In 2005 is bekend geworden dat de zakenrelatie het uitgeleende geld ‘rondpompte’ in die zin dat hij met inleggelden van nieuwe deelnemers aan zijn ‘beleggingen’ zijn verplichtingen tegenover eerdere inleggers financierde. Het echtpaar heeft bij aanvulling op hun aangiften 2005 verzocht de vordering in 2005 alsnog in de balans van hun onderneming op te nemen en af te waarderen tot nihil wegens oninbaarheid. De inspecteur is het hier niet mee eens en ook bij de rechtbank krijgt het tandartsenechtpaar geen gelijk. In hoger beroep oordeelt Hof Amsterdam dat de leningen niet tot het ondernemingsvermogen kunnen worden gerekend. Ook indien er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat de leningen zijn verstrekt uit liquide middelen van de onderneming die tijdelijk overtollig waren, zijn deze middelen op een zodanige wijze belegd dat niet redelijkerwijze kon worden aangenomen dat deze weer tijdig in de onderneming beschikbaar zouden zijn. De afwaardering ter zake van de leningen kan niet ten laste van het resultaat van de onderneming worden gebracht. Bron: Hof Amsterdam 11-07-2013
    Lees verder >
  • Als op een belastingplichtige een verzwaarde bewijslast rust, en hij moet bewijzen dat een ambtshalve opgelegde aanslag onjuist is, dan kan hij niet volstaan met het poneren van één of meer stellingen, zonder met aanvullend bewijsmateriaal te komen. Dit blijkt uit een recente uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden.
    Als op een belastingplichtige een verzwaarde bewijslast rust, en hij moet bewijzen dat een ambtshalve opgelegde aanslag onjuist is, dan kan hij niet volstaan met het poneren van één of meer stellingen, zonder met aanvullend bewijsmateriaal te komen. Dit blijkt uit een recente uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden. In deze zaak had een ondernemer geen IB-aangifte over het jaar 2007 ingediend. De inspecteur legde daarom een ambtshalve aanslag op, waarbij hij het belastbaar inkomen uit werk en woning mede had geschat op basis van de ingediende aangiften omzetbelasting. Hierbij had hij rekening gehouden met de zelfstandigenaftrek en de mkb-winstvrijstelling. De ondernemer verklaarde in hoger beroep dat zijn inkomen in werkelijkheid lager was geweest. Volgens hem werd dit veroorzaakt door ‘hogere personeelskosten, hogere woonkosten, zelfstandigenaftrek, oudedagreserves … ‘. Deze stelling werd echter niet onderbouwd met bijvoorbeeld de jaarstukken, hoewel de ondernemer in een eerder stadium had beloofd de conceptjaarrekening te zullen overleggen. Omdat het benodigde bewijsmateriaal ontbrak, oordeelde het hof dat de ondernemer niet aan de verzwaarde bewijslast had voldaan. Dat de ondernemer vanwege een conflict met zijn vorige boekhouder niet over de jaarstukken kon beschikken, deed hier volgens het hof niets aan af. Deze omstandigheid kwam volledig voor rekening en risico van de ondernemer. Verder stelde het hof dat de schatting van de inspecteur niet onredelijk was, gezien het feit dat hij was uitgegaan van aangiften omzetbelasting die de ondernemer zelf had ingediend, en gezien het feit dat hij ook rekening had gehouden met de zelfstandigenaftrek en de mkb-winstvrijstelling. De opgelegde aanslag bleef dan ook in stand. Hof Arnhem-Leeuwarden 16-07-2013
    Lees verder >
  • Een vaste kostenvergoeding die betrekking heeft op het vergoeden van bepaalde kosten, kan op een later moment niet opeens een ander doel krijgen. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde onlangs dat een dergelijke heretikettering niet is toegestaan.
    Een vaste kostenvergoeding die betrekking heeft op het vergoeden van bepaalde kosten, kan op een later moment niet opeens een ander doel krijgen. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde onlangs dat een dergelijke heretikettering niet is toegestaan. In de betreffende zaak had een bv vaste kostenvergoedingen uitbetaald aan haar werknemers. De vaste vergoeding die één van de werknemers maandelijks kreeg, had onder meer betrekking op ‘bewassing en energie’. De bv had deze kostenvergoeding onbelast gelaten. Na een boekenonderzoek oordeelde de inspecteur dat over de vergoeding ten onrechte geen loonheffingen waren ingehouden, en daarom legde hij naheffingsaanslagen op. In hoger beroep voerde de bv aan dat de vergoeding in werkelijkheid betrekking had op de kosten van overalls, veiligheidsschoenen, een veiligheidsbril en een eigen gereedschapskist, en dat deze kosten onbelast konden worden vergoed. De bv had dit tegenover de inspecteur voor het eerst verklaard bij het bespreken van de resultaten van het boekenonderzoek. Het hof stelde dat leidend was aan welke kostencategorie de vergoeding was toegekend vóór of uiterlijk bij de betaling van de vergoeding. Het is niet toegestaan om de vergoeding achteraf aan een andere kostencategorie toe te wijzen, zoals de bv in dit geval probeerde. De vergoeding had dan ook betrekking op ‘bewassing en energie’, en omdat deze vergoeding niet onbelast kon blijven, waren de naheffingsaanslagen terecht opgelegd. Een beroep op het vertrouwensbeginsel werd door het hof eveneens afgewezen. Volgens de bv was uit het Handboek Loonheffingen op te maken dat vergoedingen voor ‘bewassing en energie’ onbelast konden blijven, maar het hof oordeelde dat de bv niet aannemelijk had gemaakt dat het Handboek passages bevatte die haar hiervan konden overtuigen. Hof Arnhem-Leeuwarden, 26-06-2013
    Lees verder >