Nieuwsarchief
Op deze pagina vindt u het archief met onze tips en adviezen. Wilt u meer informatie of heeft u vragen? Neem dan contact op met Onderweegs & De Groot Accountants en Belastingadviseurs.
 
  • De Hoge Raad heeft een einde gemaakt aan de onzekerheid over de bevoegdheid van de inspecteur van de Belastingdienst/Oost/Coördinatiepunt privégebruik auto. Deze inspecteur is landelijk bevoegd.
    De Hoge Raad heeft een einde gemaakt aan de onzekerheid over de bevoegdheid van de inspecteur van de Belastingdienst/Oost/Coördinatiepunt privégebruik auto. Deze inspecteur is landelijk bevoegd. Nadat een werknemer zijn verklaring geen privégebruik halverwege 2009 intrekt, ontvangt hij een naheffingsaanslag loonbelasting op voor de eerste maanden van 2009. Op het aanslagbiljet staat dat de naheffingsaanslag is opgelegd door de inspecteur van de Belastingdienst/Oost/Coördinatiepunt privégebruik auto. Deze ondertekening is de reden dat de werknemer in beroep gaat tegen de naheffingsaanslag. Hof Arnhem is het met de werknemer eens. Uit de bepalingen die de bevoegdheid van inspecteurs regelen blijkt dat een bepaalde bevoegdheid niet tegelijkertijd aan meer dan één inspecteur kan toekomen. Dat is niet anders als de inspecteur landelijke bevoegdheid heeft. Uit de wettelijke bepalingen vloeit voort dat de werknemer voor wat betreft de heffing van loonbelasting valt onder de inspecteur in de belastingregio waar hij woont. De Hoge Raad is het hier niet mee eens. Volgens ons hoogste rechtscollege volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de wet volgt dat een aangewezen inspecteur landelijke bevoegdheid heeft. Deze landelijke bevoegdheid wordt niet beperkt door de regeling onder welke inspecteur een belastingplichtige valt. Die regeling geeft alleen maar aan tot welke inspecteur een belastingplichtige zich moet richten voor zijn fiscale aangelegenheden. Kortom, er kunnen ten aanzien van één belastingplichtige meerdere inspecteurs bevoegd zijn. De inspecteur van het Coördinatiepunt privégebruik auto was, naast de ‘eigen’ inspecteur, op grond van de Uitvoeringsregeling bevoegd om een naheffingsaanslag op te leggen. Hof Den Bosch moet beoordelen of de werknemer een kostenvergoeding krijgt voor zijn procedures bij Hof Arnhem en Rechtbank Arnhem. Bron: HR 14-06-2013
    Lees verder >
  • Uit een onderzoek in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid naar de ontwikkeling hybride financiering WGA blijkt dat ruim een derde van de werkgevers op dit moment eigenrisicodrager is. Veelal hebben ze dit risico ondergebracht bij een particuliere verzekering. Als men kijkt naar de loonsom, dan vertegenwoordigen deze werkgevers bijna de helft van de totale loonsom in Nederland.
    Uit een onderzoek in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid naar de ontwikkeling hybride financiering WGA blijkt dat ruim een derde van de werkgevers op dit moment eigenrisicodrager is. Veelal hebben ze dit risico ondergebracht bij een particuliere verzekering. Als men kijkt naar de loonsom, dan vertegenwoordigen deze werkgevers bijna de helft van de totale loonsom in Nederland. Het aandeel eigenrisicodragers is het hoogst bij grote bedrijven, maar ook bijna de helft van de middelgrote bedrijven is eigenrisicodrager. Bij de keuze om eigenrisicodrager te worden blijkt de hoogte van de premie bij publieke verzekering de meest bepalende factor. De private verzekeraars hebben de afgelopen jaren met name op dit punt geconcurreerd. Daarnaast speelt de combinatie van werkgeversgrootte en risicoprofiel een rol bij de keuze voor publiek of privaat verzekeren. Andere zaken als ondersteuning bij re-integratie spelen tot nog toe minder een rol bij de keuze. Uit het onderzoek blijkt dat het aantal eigenrisicodragers dat is teruggekeerd beperkt is gebleven in de evaluatieperiode (2007-2012). Er is wel een stijging in 2012, maar die leidt niet tot een wezenlijk andere verdeling tussen publiek en privaat. Uit het onderzoek blijkt dat er geen sprake is geweest van een ‘silent killing’, d.w.z. dat alleen werkgevers met goede risico’s zich privaat verzekeren, wat leidt tot een steeds stijgende publieke premie en steeds meer uittreden uit het publieke stelsel van werkgevers met relatief goede risico’s. De onderzoekers concluderen dat dit zich niet heeft voorgedaan. Bijna alle publiek verzekerde kleine werkgevers betalen de minimumpremie en dit geldt ook voor driekwart van de publiek verzekerde grote werkgevers. Bron: Min SZW 7-06-2013
    Lees verder >
  • In de gegeven bedrijfsomstandigheden, waarbij het bedrijf in moeilijkheden verkeerde en ontslag al was aangekondigd, mocht volgens de kantonrechter de werkgever de werknemer niet houden aan het studiekostenbeding, ook al heeft de werknemer zelf de arbeidsovereenkomst opgezegd na het vinden van een andere baan.
    In de gegeven bedrijfsomstandigheden, waarbij het bedrijf in moeilijkheden verkeerde en ontslag al was aangekondigd, mocht volgens de kantonrechter de werkgever de werknemer niet houden aan het studiekostenbeding, ook al heeft de werknemer zelf de arbeidsovereenkomst opgezegd na het vinden van een andere baan. Een werknemer was sinds 1 januari 2010 werkzaam in de functie van telemarketeer en adviseur bij de werkgever. In de arbeidsovereenkomst is het volgende studiekostenbeding opgenomen: ‘Werknemer is gehouden op verzoek van werkgever ook buiten werktijden her- en bijscholingscursussen te volgen, waarvan de kosten voor rekening van werkgever zullen zijn. Als werknemer uit zichzelf besluit om deze arbeidsovereenkomst op te zeggen zullen de totale kosten voor cursussen die werkgever voor werknemer betaald heeft verrekend worden met het laatst te betalen loon en vakantievergoeding.’ Omdat het bedrijf in moeilijkheden verkeert – in maart is de vergunning door de Autoriteit Financiële Markten ingetrokken – en de werknemer in april is aangekondigd dat er ontslag zal volgen, zegt de werknemer op 31 mei per 1 juni 2012 zijn dienstverband op. In zijn ontslagbrief schrijft hij dat hij door het dreigend ontslag ervoor heeft gekozen per 1 juni 2012 bij een andere werkgever te gaan werken. Over de afwikkeling van de arbeidsovereenkomst ontstaat vervolgens een geschil. De werknemer vordert betaling van achterstallig salaris en uitbetaling van opgebouwde, niet-genoten vakantiedagen. De werkgever stelt dat de werknemer bij de opzegging van de arbeidsovereenkomst de opzegtermijn van één maand niet in acht heeft genomen en vordert daar in reconventie een bedrag aan schadevergoeding voor van € 1.345 netto. Tevens vordert de werkgever betaling van gemaakte studiekosten (€ 2.317) omdat de werknemer het initiatief tot beëindiging heeft genomen. De werknemer betwist dat er sprake is van een onregelmatige opzegging en schadeplichtigheid jegens de werkgever en stelt dat er sprake is geweest van wederzijdse instemming met betrekking tot de ontslagdatum. De kantonrechter overweegt dat de werknemer op 31 mei 2012 aan de werkgever heeft verzocht om ontslag per 1 juni 2012 en dat hij in de betreffende brief heeft geschreven dat deze datum met wederzijdse toestemming is overeengekomen. In haar reactie rept de werkgever met geen woord over de ontslagdatum, noch heeft zij een bedrag aan schadevergoeding opgenomen in haar voorstel ter zake van de eindafrekening. De kantonrechter overweegt dat het dan niet aangaat om daar thans op terug te komen. Bovendien had de werkgever haar standpunt dat er geen sprake was van toestemming voor ontslag per 1 juni 2012, gezien de inhoud van de brief van werknemer van 31 mei 2012 nader dienen te onderbouwen. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat werknemer de arbeidsovereenkomst niet onregelmatig heeft opgezegd. De werknemer voert aan dat het bedrijf vanaf het intrekken van de AFM-vergunning geen bestaansrecht meer heeft. De werkgever stelt dat er nog wel werk was. De kantonrechter overweegt dat de situatie destijds in ieder geval wel is veranderd en dat voorts vaststaat dat de werkgever werknemer in april 2012 heeft aangezegd tot ontslag over te gaan en dat, zoals de werkgever naar voren heeft gebracht, het bedrijf thans stilligt. De kantonrechter is van oordeel dat deze omstandigheden met zich brengen dat het feit dat werknemer de overeenkomst per juni 2012 heeft opgezegd voor rekening en risico dient te komen voor de werkgever. Daargelaten dat het studiekostenbeding naar het oordeel van de kantonrechter niet aan de vereisten voldoet, is het beroep van de werkgever op het studiekostenbeding in de gegeven omstandigheden in strijd met goedwerkgeverschap. De kantonrechter wijst de vordering van de werknemer toe. De werkgever moet aan een bedrag van € 4.407,40 betalen aan achterstallig salaris en vakantiedagen. Bron: Kt. Groningen 25-04-2013
    Lees verder >
  • De Hoge Raad is om ten aanzien van het begrip bouwterreinen. Als partijen de intentie hebben om een terrein als bouwterrein te gebruiken en dit wordt ondersteund door objectieve gegevens, dan is de verkrijging van het terrein belast met btw en vrijgesteld van overdrachtsbelasting.
    De Hoge Raad is om ten aanzien van het begrip bouwterreinen. Als partijen de intentie hebben om een terrein als bouwterrein te gebruiken en dit wordt ondersteund door objectieve gegevens, dan is de verkrijging van het terrein belast met btw en vrijgesteld van overdrachtsbelasting. De Hoge Raad heeft prejudiciële vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie inzake de levering van een onbebouwd terrein. Het ging in deze zaak om een perceel grond die woningbouwvereniging Maasdriel op 13 november 2006 van de gemeente Maasdriel kocht. Op die datum stond op het perceel een gebouw dat als bibliotheek in gebruik was geweest en daarnaast een openbaar, bestraat parkeerterrein. In de koopovereenkomst is bepaald dat de ‘feitelijke levering (aflevering) van het verkochte aan de woningbouwvereniging zal geschieden in bouwrijpe staat’ met het oog op het voornemen van de koper om op het perceel woningen bouwen, eventueel in combinatie met kantoren met parkeerfaciliteiten. Er werd afgesproken dat de gemeente zou zorgen voor de sloop van het gebouw en voor de verwijdering van de bestrating van het parkeerterrein. De gemeente sloopt het gebouw en ruimt het puin op. Op 2 maart 2007 is het bouwterrein aan de woningbouwvereniging geleverd. Het parkeerterrein is op het moment van levering en ook tijdens de behandeling door Hof Arnhem op 22 april 2010 nog steeds als zodanig in gebruik. Ook is er nog geen bouwvergunning verleend. Volgens de woningbouwvereniging is sprake van een voor de btw-belaste levering waardoor geen overdrachtbelasting zou zijn verschuldigd. De Hoge Raad heeft de volgende vraag gesteld aan het Europese Hof: moet de BTW-richtlijn 2006 zo worden uitgelegd dat in elk geval niet van btw mag zijn vrijgesteld de levering van een onbebouwd terrein dat is ontstaan door sloop van daarop staande bebouwing, welke sloop is verricht met het oog op nieuwbouw? Volgens het Europese Hof moet de richtlijn zo worden uitgelegd dat de levering van een onbebouwd terrein, na de sloop van het op dat terrein staande gebouw, niet onder de btw-vrijstelling valt, ook niet als er op de datum van levering nog geen voorzieningen zijn getroffen voor dit terrein, behalve de sloop, wanneer uit een globale beoordeling van de omstandigheden, met inbegrip van de intentie van partijen, mits deze wordt ondersteund door objectieve gegevens, blijkt dat op die datum het betrokken terrein daadwerkelijk bestemd was om te worden bebouwd. Hieruit leidt de Hoge Raad af dat een terrein een bouwterrein is in de zin van de BTW-richtlijn, wanneer uit de beoordeling van alle omstandigheden, met inbegrip van de intentie van partijen, mits deze wordt ondersteund door objectieve gegevens, blijkt dat op de datum van de levering het betrokken terrein daadwerkelijk was bestemd te worden bebouwd. Kortom, de levering van het bouwterrein is belast met btw maar vrijgesteld voor de overdrachtsbelasting. HR 07-06-2013
    Lees verder >
  • In een brief aan de Tweede Kamer schrijft staatssecretaris Weekers op 7 juni dat er met werkgevers en werknemersorganisaties overeenstemming is bereikt over een aanvulling op het wetsvoorstel om Witteveenkader aan te passen. De aanvulling betreft een spaarvariant waarbij vanuit het nettoloon gespaard wordt voor extra pensioenopbouw.
    In een brief aan de Tweede Kamer schrijft staatssecretaris Weekers op 7 juni dat er met werkgevers en werknemersorganisaties overeenstemming is bereikt over een aanvulling op het wetsvoorstel om Witteveenkader aan te passen. De aanvulling betreft een spaarvariant waarbij vanuit het nettoloon gespaard wordt voor extra pensioenopbouw. In het Mondriaanakkoord van 11 april jl. was afgesproken dat sociale partners tot 1 juni 2013 de gelegenheid zouden krijgen om de kabinetsplannen, die per 2015 worden ingevoerd, te amenderen. Het kabinet heeft hiervoor een structureel bedrag van 250 miljoen euro ter beschikking gesteld. Een werkgroep van de Stichting van de Arbeid is aan de slag gegaan om alternatieven uit te werken. Het bestuur van de Stichting van de Arbeid heeft een voorstel samen met het rapport van de werkgroep op 31 mei jl. naar het kabinet gestuurd en het kabinet heeft hierop 7 juni jl. gereageerd met een brief aan de Tweede Kamer. De sociale partners doen een voorstel waarbij voor iedereen een pensioenopbouw van 1,85% van het middelloon kan worden bereikt in plaats van 1,75% en een aftopping op € 100.000. Een belangrijk uitgangspunt voor de sociale partners is dat voor ieder inkomen een gelijkwaardige pensioenopbouw mogelijk wordt. Om dat te bereiken dienenmet ingang van 1 januari 2015 twee zogenaamde excedent-regelingen te worden ingevoerd. Voor beide regelingen wordt er gespaard uit het netto inkomen en blijft het opgebouwde vermogen en uitkering vervolgens onbelast (dus een vrijstelling van box 3-belasting). Concreet betekent het voorstel dat voor een inkomen tot € 100.000 gespaard kan worden voor een netto pensioenuitkering die vergelijkbaar is met die bij een bruto pensioenopbouw van 0,1% van het brutoloon in de nieuwe regeling (bovenop de 1,75% onder het Witteveenkader), en boven de € 100.000 1,85%, omdat vanaf dat inkomen het Witteveenkader wordt afgetopt. Dit voorstel past volgens het CPB binnen de budgettaire randvoorwaarden. De sociale partners hebben aangegeven te streven naar een hogere pensioenambitie. In dat kader hebben zij gewezen op vrijvallende VPL-premies. Het CPB heeft echter aangegeven dat het in zijn middellange termijn ramingen al rekening houdt met uitfaseren van deze regelingen. Er is dus op dit punt geen sprake van een budgettaire ruimte. Weekers stelt wel dat het voorstel complexer is in de uitvoering en zal leiden tot extra administratieve lasten. Hij zal het voorstel van de partners de komende dagen verder uitwerken en nog voor het wetgevingsoverleg op 17 juni 2013 met de Tweede Kamer een nota van wijziging sturen. Bron: MvF 7-06-2013
    Lees verder >
  • Gemeenten beslissen binnenkort zelf of winkels op zondag al dan niet open mogen zijn. De Eerste Kamer heeft op dinsdag 28 mei ingestemd met een initiatiefwetsvoorstel dat de Winkeltijdenwet wijzigt en de verantwoordelijkheid voor winkelopenstelling op zondag bij gemeenten legt.
    Gemeenten beslissen binnenkort zelf of winkels op zondag al dan niet open mogen zijn. De Eerste Kamer heeft op dinsdag 28 mei ingestemd met een initiatiefwetsvoorstel dat de Winkeltijdenwet wijzigt en de verantwoordelijkheid voor winkelopenstelling op zondag bij gemeenten legt. Het wetsvoorstel kreeg in de Eerste Kamer de steun van VVD, PvdA, PVV, D66, GroenLinks, PvdD, 50PLUS en het CDA, op twee leden na. Tegen het wetsvoorstel stemden: SP, ChristenUnie, SGP, OSF en de CDA-senatoren Van Bijsterveld en Franken. De datum van inwerkingtreding is aan de regering, de indieners bepleitten 1 juli 2013. Een motie van SGP-senator Holdijk, waarin hij de regering vraagt te onderzoeken hoe de contractuele positie versterkt kan worden van winkeliers in winkelcentra die geen extra zondagen open willen zijn, kreeg een meerderheid. Twee andere moties om de gevolgen van de wetswijziging met name voor kleine winkeliers te verzachten, haalden het niet. Het ging om een motie van senator Reuten (SP) voor een maximaal gelijk aantal openstellingsuren voor alle winkelbedrijven binnen door de gemeente vast te stellen grenzen en een motie van senator Faber-Klashorst (PVV) om kleine winkeliers met lopende huurcontracten te ontzien. Minister Kamp van Economische Zaken had alle drie de moties ontraden. Wel deed hij eerder in het debat een aantal toezeggingen. Zo komt er binnen drie jaar na inwerkingtreding van het wetsvoorstel een evaluatie waarin ook de economische en sociale gevolgen voor kleine winkeliers en werknemers worden meegenomen. Ook zal Kamp er bij de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) op aandringen een goede belangenafweging op te nemen in de leidraad die de VNG voor haar leden gaat opstellen. Ten slotte zal de minister de belangen van kleinere ondernemers en bijvoorbeeld hun recht op godsdienstvrijheid aan de orde stellen in regulier overleg met werkgeversorganisaties MKB en VNO-NCW. Het wetsvoorstel was een initiatief van de toenmalige Tweede Kamerleden Van der Ham (D66) en Van Gent (GroenLinks). Bron: Eerste Kamer, 28-05-2013
    Lees verder >
  • Bij de beantwoording van Kamervragen heeft staatssecretaris Weekers verduidelijkt hoe de dertigjaarstermijn voor hypotheekrenteaftrek onder het oude recht in combinatie met het nieuwe recht uitwerkt. Om een onbillijkheid op te heffen komt de staatsecretaris binnenkort met een beleidsbesluit waarin wordt goedgekeurd dat de nieuwe eigenwoningschuld in 360 maanden mag worden afgelost, maar dat de renteaftrekperiode wel verkort wordt met de eerder genoten periode van aftrek.
    Bij de beantwoording van Kamervragen heeft staatssecretaris Weekers verduidelijkt hoe de dertigjaarstermijn voor hypotheekrenteaftrek onder het oude recht in combinatie met het nieuwe recht uitwerkt. Om een onbillijkheid op te heffen komt de staatsecretaris binnenkort met een beleidsbesluit waarin wordt goedgekeurd dat de nieuwe eigenwoningschuld in 360 maanden mag worden afgelost, maar dat de renteaftrekperiode wel verkort wordt met de eerder genoten periode van aftrek. Sinds de invoering van de Wet IB 2001 kan men gedurende maximaal 30 jaar hypotheekrente in aftrek brengen in de aangifte. Een voor een vorige eigen woning ‘verbruikt’ deel van de dertigjaarstermijn komt in mindering op de termijn voor de nieuwe eigen woning als de schuld wordt overgesloten op de nieuwe woning. De staatssecretaris verduidelijkt dit aan de hand van het volgende voorbeeld: A heeft per 1 januari 2001 een woning gekocht waarvoor een hypotheek is afgesloten van € 90.000. In 2011 verkoopt hij de woning voor € 110.000. In de tussenliggende periode heeft hij niets afgelost. Er ontstaat hierdoor een eigenwoningreserve van € 20.000. In 2013 koopt hij een nieuwe woning waarvoor de totale kosten € 150.000 bedragen. Voor de financiering wordt de eigenwoningreserve gebruikt en daarnaast € 10.000 eigen geld. De nieuwe eigenwoningschuld bedraagt hierdoor € 120.000 (€ 150.000-/- (€ 20.000+€ 10.000)). Hoe zit het nu met de dertigjaarstermijn voor hypotheekrenteaftrek? Voor € 90.000 heeft A nog gedurende 240 maanden (360 maanden –/- 120 maanden) recht op aftrek van eigenwoningrente, mits vanaf het aangaan van de schuld in 2013 contractueel en daadwerkelijk wordt afgelost volgens een (ten minste) annuïtair schema dat leidt tot een volledige aflossing in maximaal 360 maanden. Voor de overige € 30.000 geldt een recht op aftrek van eigenwoningrente van 360 maanden, mits de schuld in maximaal 360 maanden volgens een (ten minste) annuïtair schema volledig wordt afgelost. De dertigjaarstermijn geldt met ingang van 2001 als uitgangspunt. Voor de toepassing van de aflossingseis moet de periode waarover aftrek van eigenwoningrente is genoten vanaf 2001 bij het bepalen van de resterende periode van renteaftrek worden meegeteld, ook als de eigenwoningschuld in 2012 niet meer bestond. In dit voorbeeld telt daarom de periode 2001 tot en met 2010 mee voor de bepaling van de resterende periode waarin recht bestaat op renteaftrek op de nieuwe eigenwoningschuld. Dit betekent dat de periode van eerdere renteaftrek onder het oude recht de maximale periode verkort waarin de schuld volledig moet worden afgelost. In het voorbeeld moet de eigenwoningschuld van € 120.000 in 20 jaar worden afgelost om renteaftrek op die schuld te krijgen. Dit verkorte aflossingsschema zou tot gevolg hebben dat het tempo waarin deze eigenwoningschuld zou moeten worden afgelost (aanzienlijk) sneller is dan bij een aflossingseis die op een periode van 30 jaar gebaseerd is, met aanzienlijk hogere maandlasten tot gevolg, terwijl de belastingplichtige onder het oude recht niet hoefde af te lossen. Deze uitwerking acht de staatssecretaris niet wenselijk. Hij komt daarom op korte termijn met een beleidsbesluit waarin wordt goedgekeurd dat in dergelijke gevallen de nieuwe eigenwoningschuld in 360 maanden mag worden afgelost, maar dat wel de renteaftrekperiode verkort wordt met de eerder genoten periode van aftrek. Bron: MvF 31-05-2013
    Lees verder >
  • Staatssecretaris Weekers is met een overgangsregeling gekomen voor toepassing van de partnerregeling voor mantelzorgers voor de jaren 2010 en 2011. In plaats van de eis dat de verzorger een mantelzorgcompliment heeft genoten in verband met in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van overlijden aan de erflater verleende zorg, is voldoende dat de erflater op het tijdstip van zijn overlijden een CIZ-indicatie voor extramurale hulp had.
    Staatssecretaris Weekers is met een overgangsregeling gekomen voor toepassing van de partnerregeling voor mantelzorgers voor de jaren 2010 en 2011. In plaats van de eis dat de verzorger een mantelzorgcompliment heeft genoten in verband met in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van overlijden aan de erflater verleende zorg, is voldoende dat de erflater op het tijdstip van zijn overlijden een CIZ-indicatie voor extramurale hulp had. Per 1 januari 2010 is de partnerregeling voor de erfbelasting voor mantelzorgers ingevoerd. Volgens die regeling kunnen bloedverwanten (in eerste graad) in de rechte lijn partners van elkaar zijn voor de heffing van erf- en schenkbelasting, als de bloedverwant onder meer een mantelzorgcompliment heeft ontvangen over het jaar vóór het overlijden van de erflater in verband met in dat voorafgaande jaar verleende zorg aan de erflater. Een mantelzorgcompliment kan alleen worden verstrekt als er een CIZ-indicatie voor extramurale zorg (thuiszorg) is verleend. Op grond van de wet heeft een bloedverwant zonder mantelzorgcompliment geen recht op een partnervrijstelling. In februari heeft Rechtbank Arnhem geoordeeld dat het vereiste van een mantelzorgcompliment in een geval waarin de erflater in 2010 is overleden, terwijl in 2009 geen mantelzorgcompliment is ontvangen maar daarop materieel gezien wel aanspraak had kunnen worden gemaakt, een disproportionele inbreuk vormt op het eigendomsrecht als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM. Vanwege deze uitspraak heeft de staatssecretaris overgangsrecht getroffen. Dit overgangsrecht geldt voor overlijdens in de jaren 2010 en 2011 en betekent dat voor de partnerregeling voor mantelzorgers de verzorgende bloedverwant geen mantelzorgcompliment hoeft te hebben genoten. De staatssecretaris keurt goed dat het voor die jaren voldoende is dat de erflater op het tijdstip van zijn overlijden een CIZ-indicatie voor extramurale zorg had. De goedkeuring geldt alleen voor de eis van een mantelzorgcompliment. Aan de overige eisen van de Successiewet moet zijn voldaan. Voor het overgangsrecht geldt de eis dat de CIZ-indicatie daadwerkelijk moet zijn toegekend. Er hoeft dan dus geen mantelzorgcompliment over het jaar van overlijden te zijn verleend. Ook hoeft er geen CIZ-indicatie te zijn over het jaar voorafgaand aan het overlijden. Het is niet voldoende dat de CIZ-indicatie niet is aangevraagd maar de erflater mogelijkerwijs materieel gezien hierop aanspraak had kunnen maken. De staatssecretaris ziet geen aanleiding om af te wijken van de eis van een CIZ-indicatie voor extramurale zorg, nu deze indicatie een objectieve voorwaarde is voor de toekenning van een mantelzorgcompliment. De regelgeving voor 2010 was in 2009 nog niet bekend en daar kon men in 2009 dus nog geen rekening mee houden. Ook was de informatievoorziening over het mantelzorgcompliment en de daaraan gekoppelde partnerregeling in de erfbelasting in 2010 niet optimaal. Om die reden geldt de goedkeuring ook voor overlijdens in het jaar 2011. Hiermee wordt aangesloten bij het in de jaren 2010 en 2011 geldende overgangsrecht voor het partnerbegrip in de Successiewet. Bron: MvF 28-05-2013
    Lees verder >