Nieuwsarchief
Op deze pagina vindt u het archief met onze tips en adviezen. Wilt u meer informatie of heeft u vragen? Neem dan contact op met Onderweegs & De Groot Accountants en Belastingadviseurs.
 
  • Een dga kent zichzelf over 2006 achteraf een loonsverhoging toe. Omdat hij niet aannemelijk kan maken dat het loon in 2006 ook werd betaald, verrekend, ter beschikking gesteld, rentedragend, dan wel vorderbaar en tevens inbaar werd, is volgens Hof Arnhem door de inspecteur terecht uitgegaan van een later genietingsmoment.
    Een dga kent zichzelf over 2006 achteraf een loonsverhoging toe. Omdat hij niet aannemelijk kan maken dat het loon in 2006 ook werd betaald, verrekend, ter beschikking gesteld, rentedragend, dan wel vorderbaar en tevens inbaar werd, is volgens Hof Arnhem door de inspecteur terecht uitgegaan van een later genietingsmoment. De beloning van een dga wordt geboekt in de rekening-courant tussen hem en zijn vennootschap (waarvan hij de enige aandeelhouder is). Voor het tijdvak december 2006 is in de aangifte loonbelasting/premie volksverzekeringen van de vennootschap een loon voor de dga opgenomen van € 3.339. In maart 2007 heeft de vennootschap een correctiebericht ingezonden over december 2006 waarin voor de dga een loon van € 38.397 is vermeld. In 2011 verklaart de dga schriftelijk dat: hij zijn arbeidsbeloning voor zijn werkzaamheden bij de vennootschap in het jaar 2006 zelf structureel heeft verhoogd, de verwerkte salarisverhoging in december 2006 uitdrukkelijk tot een verhoging van het totale inkomen over 2006 leidt en deze verhoging niet gericht is op het behalen van een eenmalig belastingvoordeel. De inspecteur betwist dat het loon waarop het correctiebericht betrekking heeft door de dga in 2006 is genoten. Volgens de inspecteur is het genietingsmoment in 2007. Hij legt daarom een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen op voor dat jaar. De vennootschap is daarentegen van mening dat het genietingsmoment in het jaar 2006 is gelegen. De vennootschap voerde hiervoor onder meer de door de dga ondertekende verklaring uit 2011 aan. Het hof is van oordeel dat de vennootschap niet aannemelijk heeft gemaakt dat de algemene vergadering van aandeelhouders (die op grond van het Burgerlijk Wetboek het bevoegde orgaan is) heeft besloten de beloning van de dga te verhogen. Stukken waaruit dit blijkt (zoals oproeping, agenda, notulen of besluitenlijst van de vergadering) zijn niet overgelegd en de wel overgelegde stukken zijn vaag en geven geen inzicht in de plaats en de wijze waarop het besluit over de salarisverhoging zou zijn genomen. Subsidiair stelt de vennootschap dat het loon in 2006 rentedragend is geworden omdat het met een boekdatum in 2006 in de rekening-courant tussen de dga en de vennootschap is verwerkt. Het hof overweegt echter dat de omstandigheid dat de boeking in 2007 heeft plaatsgevonden met gebruik van een boekdatum in 2006 niet meebrengt dat het ook in 2006 rentedragend is geworden. Loon wordt geacht te zijn genoten op het moment dat het betaald wordt, verrekend wordt, ter beschikking gesteld wordt, rentedragend wordt, dan wel vorderbaar en tevens inbaar wordt. In de bewijslast dat van een van deze situaties in 2006 sprake was is de vennootschap naar het oordeel van het hof niet geslaagd. Bovendien, zo valt uit de uitspraak op te maken, was de reden voor deze loonsverhoging vermoedelijk gelegen in het verkrijgen van een maximaal belastingvoordeel in 2006 in verband met een hypotheek. Bron: Hof Arnhem 8-01-2013
    Lees verder >
  • FNV Zelfstandigen, Stichting ZZP Nederland, Zelfstandigen Bouw en Platform Zelfstandige ondernemers (PZO) zijn het oneens met de voorgenomen wijzigingen van de VAR-procedure door de Belastingdienst. De vier organisaties hebben een alternatief aangekondigd voor het de VAR Webmodule die het ministerie van Financiën wil invoeren.
    FNV Zelfstandigen, Stichting ZZP Nederland, Zelfstandigen Bouw en Platform Zelfstandige ondernemers (PZO) zijn het oneens met de voorgenomen wijzigingen van de VAR-procedure door de Belastingdienst. De vier organisaties hebben een alternatief aangekondigd voor het de VAR Webmodule die het ministerie van Financiën wil invoeren. Vorig jaar kondigde staatssecretaris Weekers van Financiën aan dat hij bezig is met de ontwikkeling van een VAR Webmodule die op 1 januari 2014 in werking moet treden. Met deze webmodule moeten zelfstandigen en hun opdrachtgever voorafgaand aan elke opdracht zelf de arbeidsrelatie testen. Hieruit moet blijken of degene die de opdracht uitvoert daadwerkelijk zelfstandig ondernemer is. De samenwerkende ZZP-organisaties hebben al langere tijd kritiek op de huidige VAR-procedure. Volgens hen is echter de voorgesteld webmodule niet de oplossing van het daadwerkelijke probleem. Het probleem is volgens hen namelijk dat de indicaties voor het ondernemerschap nog steeds onduidelijk en niet handhaafbaar zijn. De ZZP-organisaties hebben daarom een alternatief op de VAR Webmodule ontwikkeld en die zij willen voorleggen aan de Kamerfracties. Deze alternatieve procedure kent een eenduidige definitie van ondernemerschap, persoonlijke selectie aan de poort met jaarlijkse monitoring en handhaafbare registratie van ondernemerschap. Deze alternatieve procedure moet enerzijds schijnzelfstandigheid en koppelbaaspraktijken tegengaan, anderzijds zullen zelfstandige ondernemers minder in hun bedrijfsvoering worden belemmerd door vage procedures en administratieve rompslomp. Bron: FNV Zelfstandigen, 15-01-2013
    Lees verder >
  • De Belastingdienst heeft toestemming gegeven voor de toekenning van een algemene werkkostenvergoeding, waarbij werknemers afzien van een deel van de eindejaarsuitkering in ruil voor een netto vergoeding. De goedkeuring was gevraagd voor werkgeversorganisatie AWVN voor een van haar leden.
    De Belastingdienst heeft toestemming gegeven voor de toekenning van een algemene werkkostenvergoeding, waarbij werknemers afzien van een deel van de eindejaarsuitkering in ruil voor een netto vergoeding. De goedkeuring was gevraagd voor werkgeversorganisatie AWVN voor een van haar leden. Onder de werkkostenregeling is het mogelijk om een deel van het bruto loon van de werknemer uit te ruilen voor een netto vergoeding. Indien sprake is van een vergoeding die ten laste van de forfaitaire vrije ruimte komt (1,5% van de fiscale loonsom) zal beoordeeld moeten worden of een dergelijke vergoeding niet ongebruikelijk is. De Belastingdienst acht in ieder geval een algemene vergoeding die binnen de vrije ruimte blijft en aan alle werknemers wordt toegekend op voorhand niet ongebruikelijk. De goedkeuring biedt ruimte aan werkgevers die een onbenut deel van de vrije ruimte willen gebruiken om fiscaal vriendelijk te belonen. Het bedrag kan zowel een nominaal bedrag zijn als een percentage van het loon van de werknemer. Uiteraard dient de uitruil als zodanig wel realiteitswaarde te hebben en te voldoen aan de overige fiscale voorwaarden. Het grote voordeel van een algemene vergoeding in deze vorm is dat de cafetariaregeling belangrijk kan worden vereenvoudigd. Zo is het niet langer noodzakelijk om een waslijst aan forfaitposten (fiets, fitness, internet thuis en dergelijke) als bestedingsdoelen op te nemen. De werkgever hoeft niet te controleren of de netto vergoeding ook aan het opgegeven doel is uitgegeven en de werknemer is volledig vrij in zijn besteding. Bron: AWVN, 21-01-2013
    Lees verder >
  • De bestuurder van een bv moet controle uitoefenen op het privégebruik dat werknemers van de auto van de zaak maken. Doen zij dat niet (voldoende) dan volgt een naheffingsaanslag.
    De bestuurder van een bv moet controle uitoefenen op het privégebruik dat werknemers van de auto van de zaak maken. Doen zij dat niet (voldoende) dan volgt een naheffingsaanslag. Een echtpaar bestuurt samen een bv. Deze bv heeft 25% van de aandelen in een werk-bv. Van 14 januari 2005 tot en met 24 januari 2007 was het echtpaar bestuurder van die werk-bv. Op 24 januari 2007 hebben zij hun aandelen in de werk-bv verkocht aan de mede-aandeelhouders. In 2006 heeft de bv aan diverse werknemers een auto van de zaak ter beschikking gesteld. Voor de meeste auto’s is geen bijtelling voor privégebruik aangegeven. Naar aanleiding van een boekenonderzoek constateert de inspecteur dat het niet aannemelijk is dat de medewerkers niet privé met de auto’s hebben gereden. Er volgen naheffingsaanslagen LB en OB voor de werk-bv over de jaren 2006 tot en met 2009. De werk-bv wordt op 5 oktober 2010 failliet verklaard en heeft geen melding van betalingsonmacht gedaan. Op grond van de wet stelt de inspecteur vervolgens de voormalige bestuurders van de werk-bv voor een deel van de naheffingsaanslagen aansprakelijk. Voor de rechtbank is het de vraag of de bestuurders terecht hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld en of zij voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat er geen privégebruik van de auto’s is gemaakt. Vaststaat dat er geen kilometeradministratie is bijgehouden. Volgens de bestuurders was in de arbeidsovereenkomst met de werknemers een verbod op privégebruik opgenomen. Uit de gegevens van de inspecteur blijkt echter dat de werknemers zich daar niet aan hebben gehouden, omdat er op zaterdagen en verlofdagen van een werknemer verkeersovertredingen zijn begaan. Vraag is dan ook of de bestuurder voldoende toezicht op de nalevering van het verbod heeft gehouden en of hij passende sancties heeft opgelegd. Bij de controle zijn geen schriftelijke stukken aangetroffen waaruit blijkt dat er controles zijn uitgevoerd op de naleving van het verbod. Het argument dat de sociale controle groot was, dat periodiek kilometerstanden en de gegevens van verkeersboetes werden gecontroleerd en dat de garage opdracht had extreme kilometerstanden te melden, kan de bestuurder echter niet onderbouwen. Daar er geen privégebruik was, was het ook niet nodig om sancties op te leggen aan de werknemers, zo stelt hij. Volgens de rechtbank blijkt uit het voorgaande dat de bestuurders niet voldoende controle hebben uitgeoefend. Hiermee hebben zij niet voldaan aan de voorwaarden die de wet aan het verbod op privégebruik stelt. De bijtelling privégebruik is daarom van toepassing, zodat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd. De omzetbelasting volgt de vaststellingen in de loonbelasting. Bron: Rb. Arnhem 15-01-2013
    Lees verder >
  • Een uitzendbureau claimt vergeefs afdrachtvermindering onderwijs (BBL) voor haar Poolse werknemers. Volgens de inspecteur volgen ze slechts een cursus Nederlands. De rechtbank laat het bij de constatering dat het uitzendbureau niet heeft voldaan aan de op haar drukkende bewijslast.
    Een uitzendbureau claimt vergeefs afdrachtvermindering onderwijs (BBL) voor haar Poolse werknemers. Volgens de inspecteur volgen ze slechts een cursus Nederlands. De rechtbank laat het bij de constatering dat het uitzendbureau niet heeft voldaan aan de op haar drukkende bewijslast. Een uitzendbureau heeft in 2008 afdrachtvermindering onderwijs (BBL) geclaimd. Deze afdrachtvermindering heeft betrekking op Poolse werknemers die bij een Nederlandse inlener hebben gewerkt. De werknemers hebben bij aanvang van de werkzaamheden voor de vennootschap een beroepspraktijkvormingsovereenkomst (BPV) gesloten met het uitzendbureau en een opleidingsinstituut voor de opleidingsvorm BBL met de kwalificatie ‘assistent voedingsindustrie’. De werknemers hebben zich bij het opleidingsinstituut ingeschreven voor de opleiding Assistent medewerker voedingsindustrie met Nederlands als tweede taal. De inspecteur neemt het standpunt in dat de door de werknemers gevolgde opleiding hoofdzakelijk is gericht op scholing in Nederlands als tweede taal. Volgens de inspecteur is geen sprake van een BBL opleiding waarvoor afdrachtvermindering onderwijs mogelijk is. De rechtbank oordeelt dat de afdrachtvermindering onderwijs van toepassing is met betrekking tot de werknemer die de beroepspraktijkvorming volgt van de beroepsbegeleidende leerweg van een beroepsopleiding, op de grondslag van een beroepspraktijovereenkomst. De beroepsopleiding van de beroepsbegeleidende leerweg moet voor 60% of meer van de studieduur uit een praktijkdeel bestaan. Naar het oordeel van de rechtbank brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat op het uitzendbureau de bewijslast rust om de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken die kunnen leiden tot het oordeel dat zij recht heeft op de afdrachtvermindering onderwijs, omdat de afdrachtvermindering een belastingverlagende post is. Het uitzendbureau heeft met de door haar overgelegde stukken aannemelijk gemaakt dat de werknemers voor de opleiding assistent voedingsindustrie bij het opleidingsinstituut zijn ingeschreven en ook weer zijn uitgeschreven, dat zij aanwezig zijn geweest bij lessen Nederlands, dat toetsen zijn afgenomen op taalniveau A1 en dat aan de werknemers een aantal certificaten is verstrekt voor assessments op taalniveau A1. Over het praktijkdeel dat door de inlener zou moeten worden verzorgd, geven deze stukken echter geen enkel inzicht. Daarnaast is niet aannemelijk geworden dat de werknemers, afgezien van de lessen Nederlands, nog meer opleiding hebben genoten. Of en, zo ja, welk gedeelte van de tijd dat de werknemers werkzaam zijn geweest bij de inlener is besteed aan het praktijkdeel, is niet inzichtelijk geworden. De rechtbank is van oordeel dat het uitzendbureau niet aannemelijk heeft gemaakt dat de werknemers de beroepspraktijkvorming van de BBL hebben gevolgd. Het uitzendbureau heeft geen recht op de gevraagde afdrachtvermindering. In de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (WVA) zijn faciliteiten opgenomen die voorzien in een vermindering van de af te dragen loonbelasting en premie volksverzekeringen. Eén daarvan is de afdrachtvermindering onderwijs. In Belastingplan 2013 is aangekondigd dat de afdrachtvermindering onderwijs met ingang van 1 januari 2014 wordt omgezet in een subsidieregeling bij het ministerie van OCW. Bron: Rb. Arnhem 8-01-2013
    Lees verder >
  • Minister Opstelten van Veiligheid en Justitie heeft de bedragen voor het griffierecht per 1 januari 2013 vastgesteld.
    Minister Opstelten van Veiligheid en Justitie heeft de bedragen voor het griffierecht per 1 januari 2013 vastgesteld. Door een wetswijziging worden alle bedragen vanaf 1 januari 2013 jaarlijks bij een regeling van de minister van Veiligheid en Justitie aangepast aan de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex. Daarbij wordt afgerond op hele euro’s. Voorheen werden de indexeringen jaarlijks bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld. Voor belastingzaken gelden de volgende tarieven: voor een beroep of verzoek om voorlopige voorziening door een natuurlijk persoon bedraagt het griffierecht bij de rechtbank € 44, bij het gerechtshof of de Hoge Raad € 118. Een beroep of verzoek om voorlopige voorziening door natuurlijk persoon inzake besluiten genomen op grond van de Wet op de dividendbelasting 1965, Wet OB 1968, Wet BPM 1992, Wet op de accijns, Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere producten, Wet belastingen op milieugrondslag of de Douanewet kost € 160 bij de rechtbank; bij het gerechtshof of de Hoge Raad bedraagt het griffierecht hiervoor € 239. Voor een beroep of verzoek om voorlopige voorziening door een ander dan een natuurlijk persoon bedragen de griffierechten € 318 (rechtbank) en € 478 (gerechtshof, Hoge Raad). In een aantal gevallen geldt overgangsrecht. Als beroep is ingesteld tegen een voor 1 januari 2013 bekendgemaakt besluit en als hoger beroep, verzet of beroep in cassatie is ingesteld tegen een voor 1 januari 2013 bekendgemaakte uitspraak. Voor een beroep wegens niet tijdig beslissen wordt het griffierecht geheven dat geldt op de dag waarop het beroepschrift wordt ontvangen. Ook op het in rekening brengen van een vergoeding voor een aanmaning ter zake van een verplichting tot betaling van een geldsom aan een bestuursorgaan die is ontstaan voor het tijstip van inwerkingtreding van deze regeling, blijft de regeling van voor 1 januari 2013 van toepassing. MvV&J 20-12-2012, nr. 334461 (Stcrt. 2012, 26652)
    Lees verder >
  • Een dga die minder salaris verdient dan de meestverdienende werknemer dient goed te onderbouwen waarom zijn salaris lager is. Als minder uren wordt gewerkt kan een urenstaat daarbij een handig hulpmiddel zijn.
    Een dga die minder salaris verdient dan de meestverdienende werknemer dient goed te onderbouwen waarom zijn salaris lager is. Als minder uren wordt gewerkt kan een urenstaat daarbij een handig hulpmiddel zijn. Een fysiotherapeut voert zijn werkzaamheden uit middels een bv. De fysiotherapeut is directeur en enig aandeelhouder. Naast de dga zijn nog drie fysiotherapeuten in de praktijk werkzaam. Na een in 2007 ingesteld boekenonderzoek naar de aanvaardbaarheid van aangiften loonbelasting en premie volksverzekeringen over de periode 1 januari 2002 tot en met 31 december 2005, legt de inspecteur een naheffingsaanslag loonbelasting 2002 op aan de bv. De naheffingsaanslag heeft betrekking op het verschil in salaris van de meest verdienende fysiotherapeut (€ 73.330) en het salaris van de dga (€ 34.877). Volgens de inspecteur had het salaris van de dga ten minste het salaris van de meestverdienende werknemer moeten bedragen. Op grond van de wet moet de inspecteur bewijzen dat het gebruikelijk loon van de dga hoger moet zijn dan datgene dat door de dga daadwerkelijk is genoten. De inspecteur slaagt in dit bewijs, omdat vaststaat dat het hoogst genoten loon van een van de werknemers € 73.330 bedraagt. Daarmee heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat het gebruikelijk loon op een hoger bedrag moet worden vastgesteld. Het is dan aan de dga om aannemelijk te maken dat het salaris op een lager bedrag kan worden vastgesteld dan dat hogere salaris. De dga probeert door middel van een verklaring van een collega aan te tonen dat hij parttime als fysiotherapeut werkzaam was in de praktijk en dat hij geen administratieve en leidinggevende taken had. In verband met zijn leeftijd (hij is geboren in 1934) en zijn gezondheid was de dga fysiek niet in staat het aantal declarabele uren waarop het gebruikelijk loon is gebaseerd te werken. Ook verbleef de dga een deel van het jaar in het buitenland. Hij heeft daardoor maar ongeveer 61% van het aantal uren kunnen werken. De dga kan echter geen urenstaat van de door hem gewerkte uren overleggen. Bovendien blijkt uit het boekenonderzoek dat er in de volgende jaren een stijgende lijn in het loon van de dga zit. De rechtbank en vervolgens Hof Den Haag komen daarom tot de conclusie dat de naheffingsaanslag loonbelasting terecht is opgelegd. Bron: Hof Den Haag 29-08-2012, nr. 11/00687 (gepubliceerd op 07-01-2013)
    Lees verder >
  • Uitzendkoepel NBBU en UWV Werkbedrijf hebben een convenant gesloten om meer uitkeringsgerechtigden aan werk te helpen. De uitzendbranche en UWV WERKbedrijf zullen hiervoor een beroep doen op kleinere, gespecialiseerde uitzendbureaus. Deze bureaus worden op regionale bijeenkomsten in contact gebracht met werkzoekenden. Ook relevante werkgevers worden erbij betrokken.
    Uitzendkoepel NBBU en UWV Werkbedrijf hebben een convenant gesloten om meer uitkeringsgerechtigden aan werk te helpen. De uitzendbranche en UWV WERKbedrijf zullen hiervoor een beroep doen op kleinere, gespecialiseerde uitzendbureaus. Deze bureaus worden op regionale bijeenkomsten in contact gebracht met werkzoekenden. Ook relevante werkgevers worden erbij betrokken. In het op 20 december ondertekende convenant spreken NBBU en UWV WERKbedrijf een nauwere samenwerking af bij het aan de slag helpen van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, zoals langdurig werklozen of oudere werkzoekenden. De kracht van de samenwerking ligt vooral in de gespecialiseerde aanpak per regio, sector en functie. Die moet zorgen voor maatwerk in de bemiddeling naar werk. Werkgeversorganisatie MKB Nederland is bij de samenwerking betrokken en zal via een pamflet regionale werkgevers stimuleren om uitkeringsgerechtigden aan de slag te helpen. UWV en de uitzendbranche werken al langer met elkaar samen. Van de werkzoekenden met een WW-uitkering vindt een derde een baan via een uitzendbureau. Belangrijk onderdeel vormen de speeddates waarbij werkzoekenden in de gelegenheid worden gesteld om in korte gesprekjes kennis te maken met uitzendbureaus. Ten behoeve van de samenwerking is het Servicepunt Flex opgericht. Dit is een gezamenlijk kenniscentrum waar medewerkers van UWV WERKbedrijf en uitzendorganisaties terecht kunnen met vragen over onder meer speeddaten en subsidies. Bron: UWV, 21-12-2012
    Lees verder >