Nieuwsarchief
Op deze pagina vindt u het archief met onze tips en adviezen. Wilt u meer informatie of heeft u vragen? Neem dan contact op met Onderweegs & De Groot Accountants en Belastingadviseurs.
 
  • Om de uitkeringen op oude lijfrentepolissen en koopsompolissen middels de saldomethode belastingvrij te genieten, moet men aantonen dat men in die jaren in de aangiften geen premieaftrek heeft toegepast. Om aan te kunnen tonen dat de premies niet in aftrek zijn gebracht, kunt u het beste aangiften uit die jaren te bewaren. Het archief van de Belastingdienst gaat niet zover terug.
    Om de uitkeringen op oude lijfrentepolissen en koopsompolissen middels de saldomethode belastingvrij te genieten, moet men aantonen dat men in die jaren in de aangiften geen premieaftrek heeft toegepast. Om aan te kunnen tonen dat de premies niet in aftrek zijn gebracht, kunt u het beste aangiften uit die jaren te bewaren. Het archief van de Belastingdienst gaat niet zover terug. Een belastingplichtige heeft in 2011 uitkeringen ontvangen op een koopsompolis en op een lijfrentepolis van in totaal € 55.743. Op de koopsompolis is in 1990 een bedrag van f 11.156 gestort. In de periode 1987 tot en met 2010 is in totaal een bedrag van € 39.860 aan premies betaald voor de lijfrentepolis. De belastingplichtige vindt dat de uitkeringen onbelast moeten blijven omdat de premies in de betreffende jaren niet in mindering zijn gebracht in de aangifte inkomstenbelasting en dus de saldomethode moet worden toegepast. De inspecteur kan nagaan dat in de jaren 1999 tot en met 2010 geen premies in mindering zijn gebracht in de aangifte en staat toe dat een bedrag van € 15.523 is vrijgesteld van belasting. De uitkering op de koopsompolis van € 5.743 en het restant van de lijfrentepolis (€ 50.000 - € 15.523) wordt echter belast als inkomen uit werk en woning in 2011. Volgens de rechtbank staat niet ter discussie dat de betaalde premies voor de polissen (zogenoemde pre-Brede-Herwaarderingspolissen) in aftrek konden worden gebracht. Financiën heeft in een resolutie aangegeven dat wanneer is verzuimd premies voor lijfrente in aftrek te brengen, de saldomethode toch kan worden toegepast. Daarvoor dient de belastingplichtige echter aan te tonen dat de (lijfrente)premies in het verleden niet op het belastbare inkomen in mindering zijn gebracht. Ook moet aannemelijk worden gemaakt dat het niet aftrekken van de premies niet te wijten is aan opzet of grove schuld. De belastingplichtige in deze zaak wijst er op dat uit gegevens van de inspecteur is gebleken dat er tussen 1999 en 2010 geen premies in mindering zijn gebracht en dat het logisch is te veronderstellen dat dit in de voorgaande jaren ook niet is gebeurt. De rechtbank vindt die gevolgtrekking ook logisch maar onvoldoende om te stellen dat de belastingplichtige aan zijn bewijslast heeft voldaan. Ook de door hem overlegde jaaropgaven in combinatie met voorlopige aanslagen over eerdere jaren, waaruit blijkt dat er kleine verschillen zijn tussen de belastbare inkomens op de voorlopige aanslagen en de jaaropgave waardoor aannemelijk is dat de premies niet in aftrek zijn gebracht, vindt de rechtbank niet voldoende. Het feit dat de Belastingdienst volgens belastingplichtige niet voldoet aan de verplichtingen op grond van de Archiefwet, betekent niet dat de belastingplichtige van de bewijslast wordt ontheven. Dat is alleen anders als de inspecteur met opzet of door nalatigheid de gegevens heeft laten verdwijnen. Dat is hier niet het geval. De belastingplichtige kan niet bewijzen dat de premies niet in aftrek zijn gebracht en daarmee heeft de inspecteur terecht een deel van de uitkeringen belast. Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 31-01-2014
    Lees verder >
  • De Beleidsregels boeteoplegging Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs zijn aangepast. De nieuwe regels (terugwerkend tot 1 juli 2012) bevatten een staffel om de hoogte van boetes aan een maximum te verbinden, een versoepeling voor een zelfstandige die zichzelf via de eigen bv aan derden uitleent en een bepaling over de matiging van boeten.
    De Beleidsregels boeteoplegging Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs zijn aangepast. De nieuwe regels (terugwerkend tot 1 juli 2012) bevatten een staffel om de hoogte van boetes aan een maximum te verbinden, een versoepeling voor een zelfstandige die zichzelf via de eigen bv aan derden uitleent en een bepaling over de matiging van boeten. De hoogte van de boete op grond van de Beleidsregel boeteoplegging Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs 2013 is afhankelijk van het aantal uitzendkrachten dat is uitgeleend (€ 12.000 per arbeidskracht). Voor inleners geldt dezelfde boetenorm. Omdat de hoogte van de boete afhangt van het aantal werknemers ten aanzien van wie de overtreding is begaan, kon de boete in de praktijk onevenredig hoog uit vallen. Daarom wordt in de nieuwe beleidsregels de hoogte van de boete – door middel van een staffel – aan een maximum verbonden. Bij het ter beschikking stellen van arbeidskrachten zonder registratie bedraagt de boete voor zowel de uitlener als de inlener bij minder dan tien ter beschikking gestelde arbeidskrachten € 12.000; bij tien maar minder dan dertig ter beschikking gestelde arbeidskrachten € 24.000; bij dertig of meer ter beschikking gestelde arbeidskrachten: € 48.000. Bij de invoering van de registratieplicht voor het uitzenden en detacheren van personeel is aangesloten bij de definitie van uitlener in de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi). Dit betekent dat iedereen die arbeidskrachten ter beschikking stelt, zich moet registreren, niet alleen de uitzendbureaus in strikte zin. Hierdoor kan een zelfstandige die zijn activiteiten in een bv heeft ondergebracht onder de registratieplicht vallen, als hij zichzelf via zijn bv aan derden uitleent. De bv moet dan geregistreerd staan wanneer hij zijn werkzaamheden onder leiding en toezicht van de inlener verricht. Dat laatste is echter niet altijd duidelijk en afhankelijk van feiten en omstandigheden. Om geen risico te lopen zal een zelfstandige dan mogelijk zijn bv laten registeren, ook als dat niet nodig is. Omdat dit kan leiden tot onnodige administratieve lasten, worden de beleidsregels boeteoplegging Waadi zo aangepast, dat geen boete wordt opgelegd als het verbod ter beschikking stellen arbeidskrachten wordt overtreden door een bv die uitsluitend haar bestuurder als arbeidskracht ter beschikking stelt en de bestuurder (tezamen met zijn echtgenoot) voor 90% of meer eigenaar is van de bv. Ook de inlener zal in dat geval geen boete krijgen. Voorts is in de beleidsregels een bepaling opgenomen waardoor ook de boete aan de inlener gematigd kan worden, als de boete aan de uitlener wordt gematigd omdat hij wel bij het Handelsregister staat ingeschreven maar niet in de hoedanigheid van uitzender. Voorwaarde is wel dat de inlener in de vijf jaar voorafgaand niet eerder een boete is opgelegd in het kader van de Waadi. Deze beleidsregel werkt terug tot en met 1 juli 2012, het moment waarop de registratieplicht in de Waadi is opgenomen. Reeds onherroepelijk geworden boetes zullen ambtshalve worden bijgesteld. Bron: Stcrt. 2014, 5048
    Lees verder >
  • De Tweede Kamer heeft op 18 februari ingestemd met het wetsvoorstel Wet werk en zekerheid. Dit op 29 november vorig jaar ingediende wetsvoorstel vloeit voort uit het sociaal akkoord tussen werkgevers en vakbonden van april 2013 en regelt de aanpassing van het ontslagrecht, de WW en de herziening van de positie van flexwerkers. Wel wordt de aanpassing van de ketenregeling een jaar uitgesteld en komt er voor het MKB ten aanzien van de transitievergoeding een overgangsregeling.
    De Tweede Kamer heeft op 18 februari ingestemd met het wetsvoorstel Wet werk en zekerheid. Dit op 29 november vorig jaar ingediende wetsvoorstel vloeit voort uit het sociaal akkoord tussen werkgevers en vakbonden van april 2013 en regelt de aanpassing van het ontslagrecht, de WW en de herziening van de positie van flexwerkers. Wel wordt de aanpassing van de ketenregeling een jaar uitgesteld en komt er voor het MKB ten aanzien van de transitievergoeding een overgangsregeling. De Tweede Kamer nam een amendement van de Kamerleden Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD) en Van Weyenberg (D66) aan die de wijziging van de ketenbepaling (o.a. maximale termijn van drie jaar voor maximaal drie tijdelijke contracten wordt teruggebracht naar twee jaar; tussenperiode van drie maanden tussen twee ketens verlengd naar zes maanden) een jaar uitstelt. Deze aanpassing zal nu gelijktijdig plaatsvinden met de wijziging op ontslagrecht op 1 juli 2015. In het oorspronkelijke wetsvoorstel zou die aanpassing van de ketenbepaling al per 1 juli 2014 moeten ingaan. Ook zal de aanpassing van de ketenbepaling na drie jaar (in 2018) worden geëvalueerd. Met het nieuwe ontslagrecht is de werkgever een transitievergoeding verschuldigd bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De introductie van deze transitievergoeding leidt ertoe dat een werkgever die voorheen via de UWV-route doorgaans geen vergoeding verschuldigd was, nu wel een transitievergoeding moeten betalen. Met name voor kleine werkgevers, die nu relatief vaak gebruik maken van de UWV-route, kan dit leiden tot problemen, met name als de oorzaak van het ontslag is gelegen in de slechte financiële situatie van de onderneming. Een amendement van de Kamerleden Van Nieuwenhuizen-Wijbenga en Hamer (PvdA) voorziet in een overgangsregeling voor MKB-ondernemers met minder dan 25 werknemers. Bij de berekening van de omvang van de verschuldigde transitievergoeding kunnen zij uitgaan van de duur van het dienstverband te rekenen vanaf 1 mei 2013 (de eerste maand na het sociaal akkoord van vorig jaar toen onder meer de transitievergoeding werd afgesproken). Dienstjaren gelegen voor die datum blijven bij de berekening buiten toepassing. De overgangsregeling geldt tot 2020 en is alleen van toepassing bij een ontslag om bedrijfseconomische redenen dat is ingegeven door de slechte financiële situatie van de ondernemer. Bij individuele ontslagen om andere redenen geldt de betalingsregeling waar het wetsvoorstel in voorziet. Ten aanzien van de algemene verplichting voor de werkgever om te werken aan herplaatsing van de werknemer, is opgenomen dat deze verplichting niet geldt indien er sprake is van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst vanwege verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer (amendement Dijkgraaf, SGP). Bron: Tweede Kamer, 18-02-2014
    Lees verder >
  • Staatssecretaris Wiebes heeft naar aanleiding van Kamervragen van de heer Omtzigt (CDA) en de heren Wilders en De Graaf en mevrouw Klever (PVV) laten weten dat hij pas per half mei 2014 over voldoende informatie beschikt om een oordeel te kunnen vormen over een verlaging van de accijns op brandstoffen.
    Staatssecretaris Wiebes heeft naar aanleiding van Kamervragen van de heer Omtzigt (CDA) en de heren Wilders en De Graaf en mevrouw Klever (PVV) laten weten dat hij pas per half mei 2014 over voldoende informatie beschikt om een oordeel te kunnen vormen over een verlaging van de accijns op brandstoffen. Hoewel de staatssecretaris kennis heeft genomen van de berichten dat de accijnsverhoging negatieve effecten heeft voor tankstations in de grensstreek, vindt hij dat toch ten minste de uitkomsten van drie maanden nodig zijn om tot een voldoende onderbouwd oordeel te komen. Inmiddels heeft hij ook een eigen onderzoek in gang gezet en gegevens opgevraagd bij een aantal oliemaatschappijen. Of de accijnsverhoging ook tot verlies aan werkgelegenheid heeft geleid is niet duidelijk. Het is voor het UWV namelijk niet mogelijk om aan te geven hoeveel ontslagaanvragen voor pompstations zijn aangevraagd. Dit komt door de grove indeling per sector die wordt gehanteerd. De cijfers van het CBS over de maandelijkse brandstofverkopen komen in de tweede maand na de verslagmaand beschikbaar. Dat betekent dat de cijfers over januari niet voor 20 maart worden verwacht. Bron: MvF 14-02-2014
    Lees verder >
  • Als u gebruik maakt van het digitaal loket om een beroepschrift in te dienen, krijgt u van de rechtbank een brief als het beroepschrift is ontvangen. Beschikt u niet over die brief dan is een overzicht, waaruit blijkt dat u op de website van Rechtspraak bent ingelogd, niet voldoende om aan te tonen dat u digitaal beroep heeft aangetekend.
    Als u gebruik maakt van het digitaal loket om een beroepschrift in te dienen, krijgt u van de rechtbank een brief als het beroepschrift is ontvangen. Beschikt u niet over die brief dan is een overzicht, waaruit blijkt dat u op de website van Rechtspraak bent ingelogd, niet voldoende om aan te tonen dat u digitaal beroep heeft aangetekend. Een eigenaar van een woning is het niet eens met de in zijn WOZ-beschikking vastgestelde waarde per 1 januari 2012. Nadat zijn bezwaarschrift op 5 mei 2013 is afgewezen door de gemeente, besluit de eigenaar beroep aan te tekenen. De eigenaar besluit op 30 mei 2013 een beroepschrift in te dienen via het digitaal loket. Omdat hij geen reactie krijgt, neemt hij contact op met de rechtbank. Omdat zijn beroepschrift daar niet is ontvangen, wordt hem aangeraden nogmaals schriftelijk beroep aan te tekenen. Dit beroepschrift is op 22 juli 2013 ontvangen door de rechtbank. Bij het beroepschrift is een overzicht gevoegd van het gebruik dat de eigenaar van DigiD heeft gemaakt. Uit het overzicht blijkt dat hij op 30 mei 2013 om 0:19:16 contact heeft gekregen met de website van Rechtspraak: Account authenticeren met basis gelukt bij webdienst Rechtspraak. De rechtbank besluit het beroepschrift toch niet-ontvankelijk te verklaren omdat het beroepschrift niet binnen de termijn (voor 27 juni 2013) is ingediend. Het overzicht van het gebruik van zijn DigiD is onvoldoende om aan te tonen dat het beroepschrift tijdig digitaal is ingediend. Uit het overzicht blijkt alleen dat de eigenaar op 30 mei 2013 bij de webdienst van de Rechtspraak heeft ingelogd. Uit het overzicht kan niet worden afgeleid of het beroepschrift ook daadwerkelijk is ingediend of verzonden. Normaal gesproken ontvangt de indiener, die gebruik maakt van het digitaal loket, een brief van de rechtbank ter bevestiging dat zijn beroepschrift is ontvangen. Daar de eigenaar niet aan de hand van een digitale bevestiging of op andere wijze kan onderbouwen dat het beroepschrift ook daadwerkelijk is ingediend, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Ook uit eigen onderzoek van de rechtbank is niet gebleken dat de rechtbank op of om 30 mei 2013 een digitaal beroepschrift van de man heeft ontvangen. Bron: Rb. Gelderland 13-02-2014
    Lees verder >
  • Vanaf boekjaar 2016 kunnen jaarrekeningen alleen nog via SBR bij de Kamer van Koophandel worden aangeleverd. Momenteel wordt gewerkt aan een wetswijziging die dit moet regelen. Bedrijven die hun jaarrekeningen nu via SBR deponeren kunnen van de Kamer van Koophandel een e-mail tegemoet zien met als bijlage een PDF-weergave van de gedeponeerde jaarrekening.
    Vanaf boekjaar 2016 kunnen jaarrekeningen alleen nog via SBR bij de Kamer van Koophandel worden aangeleverd. Momenteel wordt gewerkt aan een wetswijziging die dit moet regelen. Bedrijven die hun jaarrekeningen nu via SBR deponeren kunnen van de Kamer van Koophandel een e-mail tegemoet zien met als bijlage een PDF-weergave van de gedeponeerde jaarrekening. Momenteel kunnen rechtspersonen in de bedrijfsklasse klein hun jaarrekening al via SBR deponeren. In de loop van 2014 komt deponeren via SBR ook beschikbaar voor rechtspersonen in de bedrijfsklassen (middel)groot. Het is daarnaast nu nog mogelijk om een jaarrekening op papier aan te leveren. Voor de jaarrekening van (middel)grote rechtspersonen is aanleveren per e-mail in 2014 nog mogelijk. Als het wetsvoorstel wordt aangenomen, is het aanleven op papier of per e-mail vanaf boekjaar 2016 niet meer mogelijk. Met ingang van dinsdag 3 december 2013 stuurt de Kamer van Koophandel bij deponering via SBR een e-mail met als bijlage een PDF-weergave van de gedeponeerde jaarrekening. Het is dan direct duidelijk welke jaarrekeninggegevens gedeponeerd zijn. Deze e-mail wordt verzonden vanaf het e-mailadres noreply@kvk.nl. Bron: SBR nieuwsbrief 11-02-2014
    Lees verder >
  • Uit het Burgerlijk Wetboek volgt dat al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt, bestanddeel is van die zaak en de eigenaar van die zaak eigenaar is van alle bestanddelen. Daarbij komt dat bouwkundige voorzieningen die een huurder aan het object heeft aangebracht en die tot het object zijn gaan behoren door natrekking eigendom van de eigenaar zijn. Bij de waardebepaling van een object moet de waarde van die bouwkundige voorzieningen dan ook worden meegenomen.
    Uit het Burgerlijk Wetboek volgt dat al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt, bestanddeel is van die zaak en de eigenaar van die zaak eigenaar is van alle bestanddelen. Daarbij komt dat bouwkundige voorzieningen die een huurder aan het object heeft aangebracht en die tot het object zijn gaan behoren door natrekking eigendom van de eigenaar zijn. Bij de waardebepaling van een object moet de waarde van die bouwkundige voorzieningen dan ook worden meegenomen. Een bv verhuurt sinds 1 september 2007 een deel van een pand, dat in 2007 is gebouwd, aan een casino. Het pand bestaat verder uit een ondergrondse parkeergarage en boven het casino gelegen woonappartementen. De huurder van het casino heeft het pand in 2007 en 2008 inpandig verbouwd wat een investering vergde van € 2.246.000. De investeringen zijn gedaan in bouwkundige voorzieningen. Het pand wordt verhuurd voor een huurprijs van € 493.898 per jaar. De bv heeft een WOZ-beschikking voor het pand ontvangen, met als waardepeildatum 1 januari 2011, waarin de waarde van het pand voor 2012 is vastgesteld op € 4.768.000. De bv is van mening dat de waarde op een te hoog bedrag is vastgesteld en gaat in beroep. Uitgaande van een jaarhuurwaarde van € 350.000 bepleit de bv een waarde van € 3.500.000. Volgens de bv dient van een lagere huurwaarde dan de huurprijs te worden uitgegaan vanwege de zeven parkeerplaatsen en de 50.000 gratis uitrijkaarten die jaarlijks aan het casino ter beschikking worden gesteld. Daarnaast moeten volgens de bv de huurderinvesteringen buiten beschouwing worden gelaten. De WOZ-taxateur heeft de waarde van het pand echter op € 5.805.000 getaxeerd, uitgaande van de jaarhuur en verminderd met de uitrijkaarten en de parkeerplaatsen. Vervolgens heeft de taxateur eentiende van de huurderinvesteringen daarbij opgeteld. Hiermee komt de inspecteur op een in aanmerking te nemen jaarhuur van € 581.998. Partijen zijn het er voor Rechtbank Gelderland over eens dat de WOZ-waarde moet worden bepaald op basis van kapitalisatie van de bruto huurwaarde. Daarbij is de kapitalisatiewaarde geen onderwerp van discussie. De vraag is echter of de huurderinvesteringen in aanmerking moeten worden genomen bij het bepalen van de jaarlijkse huurwaarde. Volgens de rechtbank blijkt uit het Burgerlijk Wetboek (BW) dat al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt, bestanddeel is van die zaak en de eigenaar van die zaak eigenaar is van alle bestanddelen. Een zaak die met een hoofdzaak zodanig verbonden wordt, dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan één van die zaken, is een bestanddeel van die hoofdzaak. Daarnaast volgt uit het BW dat de bouwkundige voorzieningen die een huurder aan het object heeft aangebracht en die tot het object zijn gaan behoren, door natrekking eigendom van de bv zijn. Bij de waardebepaling van een object moet de waarde van die bouwkundige voorzieningen ook worden meegenomen. Daarbij maakt het niet uit dat de huurder bij beëindiging van het huurcontract verplicht is om het object weer casco op te leveren zoals in de huurovereenkomst is afgesproken. De inspecteur heeft bij bepaling van de waarde van het pand terecht rekening gehouden met de huurderinvesteringen. Bron: Rb. Gelderland 11-02-2014
    Lees verder >
  • De meldingsplicht betalingsonmacht is een afzonderlijke verplichting die los staat van de aangifte- en afdrachtplicht. De bestuurder van een bv die geen aangifte loonbelasting kon doen, omdat nog geen loonheffingennummer was toegekend, moest wel tijdig melding doen van betalingsonmacht.
    De meldingsplicht betalingsonmacht is een afzonderlijke verplichting die los staat van de aangifte- en afdrachtplicht. De bestuurder van een bv die geen aangifte loonbelasting kon doen, omdat nog geen loonheffingennummer was toegekend, moest wel tijdig melding doen van betalingsonmacht. Een man is van 9 juni 2005 tot en met 11 maart 2010 bestuurder van een bv. Vanaf mei 2007 moeten aangiften loonheffingen worden ingediend en heffingen worden afgedragen. In september 2009 kent de Belastingdienst de bv een loonheffingennummer toe en kunnen de aangiften over de voorgaande tijdvakken worden gedaan. Daarbij wordt aangegeven dat moet worden gewacht met betaling totdat naheffingsaanslagen over die tijdvakken zijn opgelegd. Nadat de aangiften zijn ingediend, worden vanaf 4 december 2009 over de periode mei 2007 tot en met maart 2009 conform de aangiften naheffingsaanslagen opgelegd. De naheffingsaanslagen worden echter niet betaald. Op 20 december 2009 is een melding betalingsonmacht aan de ontvanger gezonden en op 7 maart 2011 wordt de bestuurder aansprakelijk gesteld. De vraag is of de aansprakelijkstelling terecht is. Omdat de naheffingsaanslagen waarvoor de bestuurder aansprakelijk is gesteld conform de ingediende aangiften zijn opgelegd, kan volgens het hof melding van betalingsonmacht niet meer rechtsgeldig plaatsvinden nadat de naheffingsaanslagen zijn opgelegd. In dit geval is sprake van betalingsonmacht die is ontstaan in de afdrachtfase, die uiterlijk twee weken nadat de betalingsonmacht zich heeft voorgedaan, gemeld moest te worden. Dat pas in september 2009 een loonheffingennummer is toegekend en dat pas kort daarna aangiften ingediend konden worden, brengt niet mee dat de afdrachtfase voor de bv is verlengd. Hoogstens nemen zij de verplichting tot het tijdig doen van aangifte over de desbetreffende tijdvakken weg, maar niet de verplichting tot tijdige afdracht van de verschuldigde loonheffing. De verplichting tot het doen van aangifte en de verplichting tot betaling hangen weliswaar nauw met elkaar samen, maar zijn afzonderlijke verplichtingen. Het enkele niet kunnen doen van aangifte heft de verplichting tot tijdige afdracht aan de ontvanger niet op. Dat de Belastingdienst de bv heeft verzocht met betaling van de verschuldigde loonheffingen te wachten totdat de naheffingsaanslagen zouden zijn opgelegd vindt het hof verwarrend, maar doet niet af aan de meldingsplicht. Dit is een afzonderlijke verplichting die los staat van de aangifte- en afdrachtplicht. Dat in de afdrachtfase geen aangifte en (mogelijk) evenmin betaling kon worden gedaan, laat onverlet dat in die fase melding van betalingsonmacht steeds mogelijk was. Uit onder andere de jaarrekeningen maakt het hof op dat in elk geval eind oktober 2009 een situatie van betalingsonmacht is ontstaan bij de bv welke uiterlijk op 14 november 2009 gemeld had moeten worden. De melding van 20 december 2009 is hoe dan ook te laat geweest. De bestuurder is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat het niet aan hem is te wijten dat de bv niet tijdig heeft voldaan aan de verplichting om haar betalingsonmacht ter zake van de loonheffingschuld aan de ontvanger te melden. Hij was in de periode dat de betalingsonmacht gemeld kon worden bestuurder van de bv. Het lag daarom binnen zijn invloedsfeer om ervoor te zorgen dat tijdig en rechtsgeldig gemeld zou worden. De conclusie is dat de bestuurder ter zake van de loonheffingschuld terecht aansprakelijk is gesteld. Bron: Hof Amsterdam 23-01-2014
    Lees verder >