Nieuwsarchief
Op deze pagina vindt u het archief met onze tips en adviezen. Wilt u meer informatie of heeft u vragen? Neem dan contact op met Onderweegs & De Groot Accountants en Belastingadviseurs.
 
  • Tot 1 september 2013 kan het bedrijfsleven voorstellen insturen voor de Milieulijst 2014. Op de Milieulijst staan jaarlijks honderden innovatieve en milieuvriendelijke investeringen waarin ondernemers fiscaal voordelig kunnen investeren via de MIA\Vamil-regeling.
    Tot 1 september 2013 kan het bedrijfsleven voorstellen insturen voor de Milieulijst 2014. Op de Milieulijst staan jaarlijks honderden innovatieve en milieuvriendelijke investeringen waarin ondernemers fiscaal voordelig kunnen investeren via de MIA\Vamil-regeling. Iedere ondernemer kan jaarlijks nieuwe ideeën voor aanpassingen van de Milieulijst doorgeven aan Agentschap NL. Bijvoorbeeld ideeën voor het versnellen van de marktintroductie van innovatieve milieutechnieken. Een uitgebreid stappenplan voor het indienen van een nieuw voorstel voor de Milieulijst kan met vinden op de Agentschap NL. Agentschap NL zal de voorstellen toetsen aan de hand van een aantal criteria om te bepalen of het idee past in de MIA\Vamil-regeling. Zo is fiscaal voordeel pas toegestaan bij een terugverdientijd van vijf jaar of langer. Ook moet bijvoorbeeld de techniek een betere milieuprestatie hebben dan gangbaar op de markt. Verder maken technieken die bijdragen aan 'groene groei' een grotere kans om op de lijst te komen. MIA en Vamil zijn twee fiscale stimuleringsregelingen van de ministeries van Infrastructuur en Milieu en Financiën. Via de Milieu Investeringsaftrek (MIA) kunnen bedrijven tot 36% van de kosten van een milieu-investering in mindering brengen op de fiscale winst. Met de Vamil kunnen bedrijven 75% van een investering op een willekeurig moment afschrijven. Daardoor vermindert de fiscale winst en betalen bedrijven minder belasting in dat jaar. Bron: Agentschap NL 23-07-2013
    Lees verder >
  • Een ondernemer die zijn bedrijfsruimte laat verbouwen met het oog op tijdelijk privégebruik, mag de btw op verbouwingskosten ‘gewoon’ aftrekken als voorbelasting. Tot dit oordeel kwam de Hoge Raad na raadpleging van het Europese Hof van Justitie.
    Een ondernemer die zijn bedrijfsruimte laat verbouwen met het oog op tijdelijk privégebruik, mag de btw op verbouwingskosten ‘gewoon’ aftrekken als voorbelasting. Tot dit oordeel kwam de Hoge Raad na raadpleging van het Europese Hof van Justitie. In deze zaak ging het om twee vennoten van een VOF die de zolder van hun bedrijfsloods hadden laten verbouwen. Zij wilden de zolder tijdelijk bewonen, totdat hun bedrijfswoning was opgeleverd. Nadat de woning bijna twee jaar later was opgeleverd, werd de zolder van de loods geschikt gemaakt als kantoor en instructieruimte. Hiervoor waren geen aanpassingen van de eerdere verbouwing nodig. De vennoten hadden de btw op de verbouwingskosten als voorbelasting afgetrokken, en uiteindelijk moest de Hoge Raad oordelen of dit was toegestaan. Hierbij raadpleegde de Hoge Raad het Europese Hof van Justitie door het stellen van prejudiciële vragen. De Hoge Raad wilde van het Europese Hof weten of een btw-ondernemer die een gedeelte van een investeringsgoed tijdelijk privé gebruikt, de btw op de verbouwingskosten mag aftrekken. Het Europese Hof antwoordde dat de btw-ondernemer in dat geval recht kan hebben op btw-aftrek, ongeacht of bij de aankoop van het investeringsgoed btw in rekening is gebracht c.q. afgetrokken. Het is aan de nationale rechter om te bepalen of de specifieke omstandigheden daadwerkelijk recht geven op btw-aftrek. De Hoge Raad oordeelde dat dit in deze situatie inderdaad het geval was. Hierbij was met name van belang dat de bewoning van de zolder van relatief korte duur was, én dat de aanpassingen aan de loods uiteindelijk – na de bewoning – voor bedrijfsdoeleinden werden gebruikt. Bovendien was vooraf al bekend dat de zolder uiteindelijk weer als bedrijfsruimte zou worden gebruikt. Bron: HR 12-07-2013
    Lees verder >
  • Staatssecretaris Weekers wijst een verruiming van de mogelijkheden levenslooptegoed (geruisloos) om te zetten in een lijfrente af. Dit valt volgens hem budgettair nadelig uit, staat haaks op het kabinetsbeleid om mensen te stimuleren langer door te werken en kan leiden tot meer administratieve lasten voor werkgever en fiscus.
    Staatssecretaris Weekers wijst een verruiming van de mogelijkheden levenslooptegoed (geruisloos) om te zetten in een lijfrente af. Dit valt volgens hem budgettair nadelig uit, staat haaks op het kabinetsbeleid om mensen te stimuleren langer door te werken en kan leiden tot meer administratieve lasten voor werkgever en fiscus. Bij de plenaire behandeling van Belastingplan 2013 was toegezegd in een later stadium nader in te gaan op de budgettaire effecten en uitvoeringstechnische aspecten van het omzetten van levenslooptegoeden in een pensioenproduct. In een brief aan de Eerste Kamer geeft Weekers aan dat een nieuwe mogelijkheid voor het omzetten van levenslooptegoeden in een oudedagsvoorziening haaks staat op de kabinetsdoelstelling om met vrijvallende levenslooptegoeden de economie een impuls te geven. Hij heeft er wel begrip voor dat werknemers een eventueel pensioentekort willen aanvullen en binnen de huidige wetgeving bestaan hiervoor al mogelijkheden (bruto levenslooptegoed geruisloos omzetten in pensioenaanspraak voor zover er fiscale ruimte in de tweede pijler resteert; vrijgevallen netto levenslooptegoed benutten voor een vrijwillige oudedagsvoorziening in de derde pijler). In zijn brief gaat hij nader in op het idee van een geruisloze omzetting van het bruto levenslooptegoed in een derde pijler product, zoals door de Kamer was voorgesteld. Voor zo’n geruisloze omzetting zijn twee varianten denkbaar. De eerste variant is dat de geruisloze omzetting onbeperkt, ook buiten de in de derde pijler beschikbare ruimte mogelijk is. In de tweede variant is de geruisloze omzetting beperkt tot de in de derde pijler beschikbare ruimte. Wat betreft de eerste variant stelt Weekers dat deze haaks staat op het beleid om de fiscale facilitering van oudedagsvoorzieningen in te perken. Het kabinetsbeleid is juist op gericht om te stimuleren dat mensen langer aan het arbeidsproces blijven deelnemen. Bovendien heeft een dergelijke oplossing negatieve budgettaire effecten. De tweede variant leidt volgens hem tot administratieve lasten, vooral van werkgevers. Zij zijn immers niet op de hoogte van de fiscale ruimte die de werknemer in de derde pijler heeft. Een werkgever moet dan eerst die informatie inwinnen om te kunnen bepalen welk deel van het levenslooptegoed geruisloos kan worden omgezet in een derdepijlerproduct. Het resterende saldo zou dan vervolgens na inhouding van loonbelasting worden uitgekeerd. Ook moet de werkgever de Belastingdienst renseigneren dat levenslooptegoed geruisloos is omgezet in een lijfrente, bijvoorbeeld met een speciale loonbelastingopgave. De geruisloze omzetting leidt daarmee ook tot meer werk voor de Belastingdienst. Staatssecretaris Weekers wijst invoering van een nieuwe, complexe mogelijkheid voor geruisloze omzetting af. Hetzelfde resultaat is volgens hem al binnen de huidige regelgeving te realiseren als het levenslooptegoed eerst wordt opgenomen en vervolgens gebruikt wordt ter financiering van een pensioenproduct in de derde pijler. Er wordt dan eerst belasting betaald over het opgenomen levenslooptegoed, maar de betaalde lijfrentepremie is vervolgens, binnen de in de derde pijler beschikbare ruimte, aftrekbaar. Bron: MvF 11-07-2013
    Lees verder >
  • Het kabinet wil de tarieven voor het griffierecht met ingang van 1 januari 2014 verhogen. Voor de meeste zaken betekent dit een geringe verhoging. Voor zaken bij de kantonrechter en voor alle civiele zaken bij de rechtbank zal de stijging 2% bedragen. Die stijging blijft beperkt omdat het kabinet hecht aan een laagdrempelige toegang tot de rechter in eerste aanleg. Maar voor bepaalde zaken wordt een substantiëlere verhoging voorgesteld.
    Het kabinet wil de tarieven voor het griffierecht met ingang van 1 januari 2014 verhogen. Voor de meeste zaken betekent dit een geringe verhoging. Voor zaken bij de kantonrechter en voor alle civiele zaken bij de rechtbank zal de stijging 2% bedragen. Die stijging blijft beperkt omdat het kabinet hecht aan een laagdrempelige toegang tot de rechter in eerste aanleg. Maar voor bepaalde zaken wordt een substantiëlere verhoging voorgesteld. Op dit moment verschillen de tarieven voor hoger beroep en cassatie, met name in civiele zaken, niet substantieel van de tarieven in eerste aanleg. Maar de kosten van een behandeling in hoger beroep of cassatie zijn wel aanzienlijk hoger dan de kosten van een procedure in eerste aanleg. Volgens het kabinet is daarom een grotere bijdrage van de rechtzoekende gerechtvaardigd. Ook voor rechtspersonen in handelszaken met een financieel belang van meer dan € 1 miljoen zal een (fors) hoger griffierecht worden ingevoerd. Verder wordt het laagste tarief in bestuursrechtelijke zaken gelijk getrokken met de laagste tarieven voor civiele zaken bij de kantonrechter. In totaal gaan de griffierechten hierdoor met gemiddeld 15% omhoog. Het wetsvoorstel voor de verhoging van de griffierechten zal binnenkort worden ingediend bij de Tweede Kamer. Bron: Min VenJ 5-07-2013
    Lees verder >
  • De waarde van serviceflats voor de erfbelasting wordt ook voor overlijdens in de jaren 2012 en 2013 bepaald naar de waarde in het economische verkeer op datum van overlijden. Erfgenamen hoeven dan niet meer uit te gaan van de vastgestelde WOZ-waarde voor het belastingjaar. In 2011 had staatssecretaris Weekers dit ook al besloten voor de jaren 2010 en 2011, naar aanleiding van een uitspraak van Hof Amsterdam.
    De waarde van serviceflats voor de erfbelasting wordt ook voor overlijdens in de jaren 2012 en 2013 bepaald naar de waarde in het economische verkeer op datum van overlijden. Erfgenamen hoeven dan niet meer uit te gaan van de vastgestelde WOZ-waarde voor het belastingjaar. In 2011 had staatssecretaris Weekers dit ook al besloten voor de jaren 2010 en 2011, naar aanleiding van een uitspraak van Hof Amsterdam. Weekers gaat in een brief aan de Tweede Kamer in op de problemen die erfgenamen ondervinden wanneer zij een serviceflat in de erfenis moeten verkopen in de huidige woningmarkt. De waarde in het economische verkeer is normaal gesproken de verkoopprijs of, als de flat niet verkocht is, de verwachte opbrengst van de serviceflat. Het probleem bij serviceflats is, dat deze slechts verkocht kunnen worden ver onder de WOZ-waarde, vanwege persoonlijke diensten zoals maaltijden, huishoudelijke hulp en servicekosten die in dergelijke flats verplicht moeten worden afgenomen. In de Wet WOZ kan echter geen rekening gehouden worden met het waardedrukkende effect van deze verplicht af te nemen persoonlijke diensten. De gemiddelde WOZ-waarde van serviceflats is inmiddels weliswaar fors gedaald als gevolg van het feit dat de gemeenten op aanbeveling van de Waarderingskamer rekening houden met het specifieke imago van serviceflats en de beperkte kring van gegadigden, maar onvoldoende om tegemoet te komen aan de problemen waar erfgenamen tegen aan lopen. Daarom heeft de staatssecretaris besloten om het beleidsbesluit uit 2011, waarin werd gesteld dat voor de erfbelasting uitgegaan mocht worden van de waarde in het economische verkeer op datum van overlijden, weer in het leven te roepen. Dit besluit was per 1 januari 2012 vervallen. Erfgenamen hoeven dan niet meer uit te gaan van de vastgestelde WOZ-waarde voor het belastingjaar ingeval de waarde in het economische verkeer in belangrijke mate afwijkt van de WOZ-waarde. De staatssercetaris kondigt aan dat hij samen met de Waarderingskamer zal zoeken naar een structurele oplossing die moet ingaan per 1 januari 2014. In zijn brief aan de Tweede Kamer geeft de staatssecretaris verder uitleg over het verscherpte toezicht door de Waarderingskamer op circa 70 gemeenten. Deze gemeenten spelen onvoldoende in op de veranderende omstandigheden op de woningmarkt. Door het verscherpte toezicht wordt verzekerd dat deze werkwijze wordt verbeterd. Bron: MvF 16-07-2013
    Lees verder >
  • Als van geërfde goederen op de overlijdensdatum geen verkoopprijs bekend is, mag de later gerealiseerde verkoopprijs als uitgangspunt dienen. Hierbij moet dan wel rekening worden gehouden met de ontwikkeling van de marktprijs in de tussenliggende periode, zo blijkt uit een uitspraak van de Hoge Raad.
    Als van geërfde goederen op de overlijdensdatum geen verkoopprijs bekend is, mag de later gerealiseerde verkoopprijs als uitgangspunt dienen. Hierbij moet dan wel rekening worden gehouden met de ontwikkeling van de marktprijs in de tussenliggende periode, zo blijkt uit een uitspraak van de Hoge Raad. In deze zaak hadden erfgenamen een zeldzame Chinese pot geërfd. In hun aangifte successierecht hadden zij voor deze pot een waarde van € 12.500 in aanmerking genomen. Maar toen een taxateur de pot op een hogere waarde taxeerde, dienden de erfgenamen een suppletieaangifte in. Hierin stelden ze de waarde van de pot op € 100.000. De pot werd echter voor een aanzienlijk hoger bedrag verkocht op een veiling van een veilinghuis in Londen: de verkoopprijs was € 23 miljoen. De inspecteur stelde de waarde van de pot op de overlijdensdatum van de erflater daarom vast op € 23 miljoen. Hof Den Haag oordeelde dat zowel de inspecteur als de erfgenamen de door hen verdedigde waarde aannemelijk hadden gemaakt. Daarom nam het hof de verkoopprijs van € 23 miljoen als uitgangspunt, en corrigeerde zij deze waarde voor de marktontwikkelingen tussen de overlijdensdatum en de verkoopdatum. Dit resulteerde in een waarde op overlijdensdatum van € 10 miljoen. Deze uitspraak van het hof werd door De Hoge Raad bevestigd. Bron: HR 12-7-2013
    Lees verder >
  • Als een (geïmporteerde) auto nog niet door de RDW is geregistreerd in het kentekenregister, mag de inspecteur toch al een naheffingsaanslag BPM opleggen. Dit blijkt uit een uitspraak van de Hoge Raad.
    Als een (geïmporteerde) auto nog niet door de RDW is geregistreerd in het kentekenregister, mag de inspecteur toch al een naheffingsaanslag BPM opleggen. Dit blijkt uit een uitspraak van de Hoge Raad. In de betreffende zaak had een bv een auto geïmporteerd uit Duitsland en aangifte BPM gedaan. Hierbij ging de bv uit van een gebruikte auto, omdat de auto een beschadiging aan de bumper én een kilometerstand van 747 had. Op grond hiervan paste de bv een vermindering van de BPM toe. De inspecteur deed echter na ontvangst van de aangifte onderzoek naar de auto en stelde vast dat het ging om een nieuwe auto. Omdat voor een nieuwe auto een hoger bedrag aan BPM is verschuldigd, legde de inspecteur voor het verschil een naheffingsaanslag op. Hij deed dit vóórdat de RDW de auto had opgenomen in het kentekenregister. De inspecteur deelde de bv namelijk mee dat het zogeheten ‘fiscaal akkoord’, dat de RDW nodig heeft om de auto te kunnen registreren, pas zou worden doorgegeven als de bv zowel het bedrag van de aangifte als het bedrag van de naheffingsaanslag zou hebben betaald. In geschil was of de naheffing wel vóór de registratie kon worden opgelegd. Hof Den Bosch vond dat dit niet kon, maar de Hoge Raad oordeelde, dat hoewel het belastbare feit – namelijk de registratie van de auto – pas later plaatsvond, toch al een naheffingsaanslag mocht worden opgelegd. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 6 lid 2 Wet BPM volgt namelijk dat de BPM wordt verschuldigd bij het indienen van de aangifte en het betalen van het aangegeven bedrag. En als de aangifte is ingediend, kan een eventueel te weinig aangegeven bedrag worden nageheven, ook als de auto op dat moment nog niet is opgenomen in het kentekenregister. De naheffingsaanslag bleef dan ook in stand. Bron: HR 28-06-2013
    Lees verder >
  • Een werkgever die zijn werknemers een deelcertificaat liet halen van een overigens wel erkende beroepsopleiding, kon geen aanspraak maken op de afdrachtvermindering onderwijs. Om voor de afdrachtvermindering in aanmerking te komen moet de onderwijsinspanning namelijk gericht zijn op het afronden van de volledige beroepsopleiding.
    Een werkgever die zijn werknemers een deelcertificaat liet halen van een overigens wel erkende beroepsopleiding, kon geen aanspraak maken op de afdrachtvermindering onderwijs. Om voor de afdrachtvermindering in aanmerking te komen moet de onderwijsinspanning namelijk gericht zijn op het afronden van de volledige beroepsopleiding. Een vennootschap heeft 67 van haar 223 werknemers bij een onderwijsinstelling ingeschreven voor het traject 'Praktijk/Basisoperator'. Als de deelnemers het traject met een voldoende afsluiten, ontvangen zij het deelcertificaat 110: het praktijkdeel van de opleiding Basisoperator. Het praktijkdeel is onderdeel van de opleiding tot Basisoperator. Dit is een erkende beroepsopleiding die is opgenomen in het Centraal Register Beroepsopleidingen (Crebo-register). De opleiding Basisoperator bestaat in totaal uit vier deelkwalificaties, waarvan deelcertificaat 110 er een is. De werknemers hadden, op individuele basis, een optie om de andere deelkwalificaties van de opleiding tot Basisoperator te behalen. Van deze optie heeft slechts een zeer gering aantal werknemers gebruik gemaakt. Vier werknemers hebben in de periode januari 2010 tot en met maart 2011 de volledige opleiding Basisoperator afgerond. In de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (WVA) zijn faciliteiten, waaronder de afdrachtvermindering onderwijs, opgenomen die voorzien in een vermindering van de af te dragen loonbelasting en premie volksverzekeringen. Voor werknemers die de beroepspraktijkvorming volgen van de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) van een beroepsopleiding kan onder voorwaarden afdrachtvermindering onderwijs worden geclaimd. De beroepsopleiding Basisoperator (crebo-code 10425) kwalificeert als een beroepsbegeleidende leerweg (bbl). De vennootschap heeft in haar aangiftes januari 2010 tot en met maart 2011 afdrachtvermindering geclaimd. De Belastingdienst is echter van mening dat de vennootschap daar geen recht op heeft, omdat het gevolgde traject een deelkwalificatie van een erkende beroepsopleiding is. De rechtbank is van oordeel dat de vennootschap niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in aanmerking komt voor afdrachtvermindering. De werknemer moet een beroepspraktijkvorming van de bbl volgen zoals bedoeld in artikel 7.2.2 en niet een deelkwalificatie als bedoeld in artikel 7.2.3 Wet educatie en beroepsonderwijs. In dat oordeel is meegenomen dat het begrip ‘opleiding’ in de WEB wordt gedefinieerd, waarbij ook wordt gesproken van ‘onderdelen van een diploma’. Volgens de rechtbank heeft de zinsnede ‘onderdelen van een diploma’ echter betrekking op het voortgezet onderwijs (vmbo, havo, vwo) waartoe beroepsopleidingen niet behoren. De rechtbank geeft aan dat het behalen van de afzonderlijke deelkwalificaties kan leiden tot het voldoen aan de eindtermen voor de volledige beroepsopleiding. Het uiteindelijke voldoen aan de eindtermen is geen voorwaarde voor de afdrachtvermindering onderwijs, maar de onderwijsinspanning moet wel gericht zijn op het uiteindelijk afronden van de volledige beroepsopleiding. De inschrijving van de werknemers is niet gericht geweest op de afronding van de gehele beroepsopleiding. Een uitzondering hierop geldt wellicht voor het geringe aantal werknemers dat op individuele basis gebruik heeft gemaakt van de optie om de opleiding te vervolgen. Maar van hen is niet bekend of hun inschrijving primair gericht was op het afronden van de gehele beroepsopleiding. Omdat de vennootschap niet heeft gesteld dat de naheffingsaanslag loonheffing om deze reden verminderd zou moeten worden, wordt de inspecteur volledig in het gelijk gesteld. Bron: Rb. Noord-Nederland 4-06-2013
    Lees verder >