Nieuwsarchief
Op deze pagina vindt u het archief met onze tips en adviezen. Wilt u meer informatie of heeft u vragen? Neem dan contact op met Onderweegs & De Groot Accountants en Belastingadviseurs.
 
  • Staatssecretaris Weekers op Kamervragen geantwoord dat zzp’ers niet verplicht zijn hun btw-nummer op de website te plaatsen. De btw-nummers moeten gemakkelijk, rechtstreeks en permanent toegankelijk zijn voor afnemers, maar men is niet verplicht dit via de website te doen.
    Staatssecretaris Weekers op Kamervragen geantwoord dat zzp’ers niet verplicht zijn hun btw-nummer op de website te plaatsen. De btw-nummers moeten gemakkelijk, rechtstreeks en permanent toegankelijk zijn voor afnemers, maar men is niet verplicht dit via de website te doen. Volgens Europese Richtlijn elektronische handel die in de Nederlandse wet is opgenomen moet degene die een dienst van de informatiemaatschappij verleend een aantal gegevens gemakkelijk, rechtstreeks en permanent toegankelijk maken voor zijn afnemers. Het btw-nummer hoort bij deze gegevens. Een dienst van de informatiemaatschappij is elke dienst die gewoonlijk tegen vergoeding, langs elektronische weg, op afstand en op individueel verzoek van de afnemer van de dienst wordt verricht. Dit betekent dat een ondernemer die via zijn website goederen of diensten te koop aanbiedt en het via die website mogelijk is om een overeenkomst te sluiten, een btw-identificatienummer kenbaar moet maken. Er wordt echter niet voorgeschreven hoe dit dient te gebeuren. Logisch is dat dit gebeurt via de website, maar dit is niet dwingend voorgeschreven. Het btw-nummer moet dan wel op een ander wijze gemakkelijk, rechtstreeks en permanent toegankelijk kenbaar worden gemaakt. Door het btw-nummer via een bestelbevestiging of factuur achteraf kenbaar maken, wordt niet aan de verplichting voldaan. De ‘dienstenrichtlijn’, ook opgenomen in de Nederlandse wet, kent een vergelijkbare bepaling. Volgens die algemene informatieverplichtingen moeten dienstverleners hun btw-nummer aan hun afnemer beschikbaar stellen. Er worden vier mogelijkheden gegeven voor het beschikbaar stellen waaronder het gemakkelijk elektronisch toegankelijk maken op een van tevoren medegedeeld elektronisch adres. Verder gaf de staatssecretaris aan op dit moment in kaart te brengen wat de consequenties van de motie van de leden Oosenburg en Van der Linde (ontkoppelen van BSN en btw-nummers van zzp’ers) zijn. Hij zal de Kamer hier separaat over berichten. Bron: MvF 09-12-2013
    Lees verder >
  • Buitensporige bonussen kunnen vanaf 1 januari 2014 worden aangepast of teruggevorderd. Dat geldt voor bonussen die achteraf bezien zijn toegekend op basis van onjuiste informatie ('claw back') en voor bonussen waarvan uitkering wegens onredelijkheid en onbillijkheid niet kan worden gerechtvaardigd. De Eerste Kamer heeft op 10 december ingestemd met een wetsvoorstel Bevoegdheid aanpassing excessieve bonussen van bestuurders (32 512).
    Buitensporige bonussen kunnen vanaf 1 januari 2014 worden aangepast of teruggevorderd. Dat geldt voor bonussen die achteraf bezien zijn toegekend op basis van onjuiste informatie ('claw back') en voor bonussen waarvan uitkering wegens onredelijkheid en onbillijkheid niet kan worden gerechtvaardigd. De Eerste Kamer heeft op 10 december ingestemd met een wetsvoorstel Bevoegdheid aanpassing excessieve bonussen van bestuurders (32 512). De regeling geldt voor bestuurders van alle NV's en van alle financiële ondernemingen, waaronder banken, verzekeraars en beleggingsondernemingen. Voor financiële ondernemingen geldt bovendien dat ook dagelijks beleidsbepalers worden geraakt. De nieuwe regeling raakt ook bestaande contracten. De raad van commissarissen kan de hoogte van de bonus aanpassen als uitkering ervan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval indien de economische situatie van het bedrijf ongunstig is terwijl met die omstandigheid onvoldoende rekening is gehouden toen de bonus in het vooruitzicht werd gesteld. Een terugvordering is bijvoorbeeld mogelijk als achteraf blijkt dat de doelen waarop de bonus is gebaseerd in werkelijkheid niet zijn bereikt. De raad van commissarissen legt via het jaarverslag verantwoording af aan de algemene vergadering over het al dan niet gebruik maken van de bevoegdheden tot aanpassing of terugvordering. Verder moeten beursgenoteerde NV’s bij een openbaar bod, een besluit dat het karakter van de vennootschap ingrijpend wijzigt, een juridische fusie of splitsing, de koerswinst die een bestuurder heeft behaald op de aandelen die hem als beloning zijn toegekend, verrekenen met de beloning die hij nog tegoed heeft. De verrekening vindt plaats als de bestuurder zijn aandelen verkoopt of als hij vertrekt bij de vennootschap. Ten slotte verplicht de wet om de jaarlijkse rapportage over de beloningen van bestuurders op de algemene vergadering afzonderlijk te bespreken voorafgaande aan de vaststelling van de jaarrekening. Bron: Min VenJ 11-12-2013
    Lees verder >
  • Of de inkomsten worden aangemerkt als winst uit onderneming of als loon uit dienstbetrekking kan een een fors verschil maken. Dit komt veelal door het verschil in behandeling van de aftrekbaarheid van kosten en ondernemersaftrek bij het bepalen van het belastbaar inkomen uit werk en woning. In een zeer feitelijke casus komt Rechtbank Den Haag tot het oordeel dat een masseuse bij een wellness centrum geen zelfstandig beroep uitoefende maar loon genoot uit dienstbetrekking.
    Of de inkomsten worden aangemerkt als winst uit onderneming of als loon uit dienstbetrekking kan een een fors verschil maken. Dit komt veelal door het verschil in behandeling van de aftrekbaarheid van kosten en ondernemersaftrek bij het bepalen van het belastbaar inkomen uit werk en woning. In een zeer feitelijke casus komt Rechtbank Den Haag tot het oordeel dat een masseuse bij een wellness centrum geen zelfstandig beroep uitoefende maar loon genoot uit dienstbetrekking. Een masseuse staat sinds 1 januari 2009 ingeschreven als eenmanszaak in het handelsregister met als omschrijving massagepraktijk. Daarnaast is ze vanaf maart 2009 en geheel 2010 als masseuse werkzaam bij een bv. Ze is in het bezit van een VAR winst uit onderneming. Op 14 december 2011 is bij haar een boekenonderzoek uitgevoerd. Het rapport naar aanleiding van dit onderzoek stelt onder meer dat zij gemiddeld twintig uur per week op vaste dagen werkzaam is voor de bv. De afspraken en de betalingen van de klanten van de bv gaan via de receptie. Vervolgens reikt de masseuse eens per maand een factuur uit met de gewerkte uren tegen een vast afgesproken bedrag. Daarnaast mocht zij geen klanten werven voor haar eenmanszaak en zich niet laten vervangen door iemand anders tijdens haar afwezigheid. In 2009 en 2010 heeft zij ongeveer vijf particuliere klanten gemasseerd, voornamelijk kennissen, vrienden en familieleden. In geschil is of de haar inkomsten als winst uit onderneming kwalificeren, dan wel als loon uit dienstbetrekking zoals de inspecteur stelt. Rechtbank Den Haag stelt voorop dat door het onjuist beantwoorden van het aanvraagformulier van de VAR, de inspecteur niet gebonden is door de afgegeven VAR winst uit onderneming. Naar het oordeel van de rechtbank had de masseuse onvoldoende zelfstandigheid ten opzichte van de bv. Uit de feiten blijkt dat de bv waarvoor zij werkte de tarieven bepaalde, de personen die door zij bij de bv masseerde waren klant van de bv, en zij moest zich houden aan de richtlijnen van de bv. De bv had het recht had om haar opdrachten te verstrekken die zij persoonlijk diende uit te voeren. Bij ziekte of afwezigheid van de masseuse schakelde de bv een bij de bv werkzame collega in. Dit kwalificeerde niet als onderaanneming zodat daaruit geen zelfstandigheid valt af te leiden. De masseuse voert nog aan dat een massage bij uitstek een dienst is waarvan de inhoud wordt bepaald door het samenspel van klant en masseur, waarbij de bv geen zicht en invloed op uitoefent. Dit brengt de rechtbank evenmin tot een ander oordeel. Daarnaast werd de masseuse per uur betaald. Dat zij niet betaald werd, als er geen werk was, is volgens de rechtbank geen debiteurenrisico en evenmin een specifiek ondernemersrisico. Rechtbank Den Haag is van oordeel dat van een zelfstandig uitgeoefend beroep geen sprake is, zodat de inkomsten niet zijn aan te merken als winst uit onderneming. Bron: Rb. Den Haag 5-11-2013
    Lees verder >
  • Rechtbank Gelderland oordeelde onlangs dat een dga die zijn pensioenaanspraak in eigen beheer te laat had aangepast aan het Witteveenkader alleen loon- en inkomstenbelasting moest betalen over het bovenmatige deel van de aanspraak. De staatssecretaris heeft nu laten weten dat deze zaak niet als richtsnoer kan dienen.
    Rechtbank Gelderland oordeelde onlangs dat een dga die zijn pensioenaanspraak in eigen beheer te laat had aangepast aan het Witteveenkader alleen loon- en inkomstenbelasting moest betalen over het bovenmatige deel van de aanspraak. De staatssecretaris heeft nu laten weten dat deze zaak niet als richtsnoer kan dienen. De staatssecretaris laat weten dat uit het feit dat er geen hoger beroep wordt ingesteld, niet mag worden afgeleid dat de uitspraak van de rechtbank als richtsnoer kan dienen. Volgens de staatssecretaris zijn in de wet en de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten te vinden dat bij overschrijding van de wettelijke grenzen slechts het bovenmatig deel van de aanspraak wordt belast. Dit blijkt ook uit de jurisprudentie. De inspecteur stelt in deze zaak geen beroep in omdat een materieel belang ontbreekt. De zaak lag als volgt. Een directeur en enig aandeelhouder (dga) heeft een pensioen toegezegd gekregen van de vennootschap waarvoor hij in dienstbetrekking werkzaam is. Het pensioen wordt in eigen beheer gehouden en de afspraken zijn vastgelegd in de pensioenbrief van 25 september 1998. Op 1 juli 1999 bestaande pensioenregelingen moesten uiterlijk vóór 1 juni 2004 aangepast worden aan de voorwaarden van het Witteveenkader. De vennootschap heeft de pensioenadviseur in mei 2004 mondeling opdracht gegeven het pensioen in eigen beheer te toetsen aan dit kader. De pensioenbrief blijkt niet aan het Witteveenkader te voldoen, omdat de pensioenregeling geen afkoopverbod bevat en de pensioenopbouw hoger is dan is toegestaan volgens de regels van het Witteveenkader. De pensioenadviseur deelt de vennootschap op 2 juli 2004 mee dat de pensioenregeling op een aantal punten moet worden aangepast en tevens kan worden geoptimaliseerd. Tot deze brief behoren onder meer een aangepaste aanvullende arbeidsovereenkomst, inhoudende de pensioentoezegging met de verplichte wijzigingen, een verslag van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders (AVA) en een berekeningsoverzicht van de nieuwe pensioenregeling met de opgebouwde en nog op te bouwen pensioenaanspraken. De arbeidsovereenkomst en het verslag van de AVA dienden door de vennootschap ondertekend te worden geretourneerd. In de notulen van de AVA welke zijn ondertekend door de dga staat dat de AVA 31 mei 2004 is gehouden. Tevens is in de notulen opgenomen dat de toe te kennen pensioenrechten nader zullen worden bepaald en vastgelegd in een aanvullende arbeidsovereenkomst tussen de vennootschap en de dga. In deze arbeidsovereenkomst zal worden aangegeven op welke manier de pensioenrechten worden veiliggesteld. Tot slot is vermeld dat het voorstel na enige discussie met algemene stemmen wordt aangenomen. Volgens de rechtbank is de pensioenregeling niet tijdig aangepast en daarom met ingang van 1 juni 2004 onzuiver. De tekst van de wet verbindt daaraan het gevolg dat de aanspraak op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip wordt aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van de werknemer. De rechtbank is op grond van de parlementaire geschiedenis van mening dat doel en strekking van de wetgeving tot de conclusie moeten leiden dat die sanctie moet worden beperkt tot het bovenmatig deel. Van een gewraakte handeling die leidt tot het onzuiver worden van een pensioenregeling is sprake als het feit dat de pensioenregeling niet langer aan bedoelde wettelijke vereisten voldoet, wordt veroorzaakt door handelingen van één of van beide bij die regeling betrokken partijen. Volgens de rechtbank dient dan ook sprake te zijn van een actief handelen door contractpartijen in strijd met de fiscale wetgeving. Dit leidt de rechtbank tevens af uit het karakter van de overige handelingen die als verboden zijn aangemerkt. In dit geval is de oorzaak van het niet langer kwalificeren als wettelijke pensioenregeling niet gelegen in een handeling van de contractpartijen, maar in een wijziging van de wettelijke vereisten. Overigens mag van de rechtbank geen sprake zijn van een bewust achterwege laten van de aanpassing. Dit kan bijvoorbeeld tot uitdrukking komen in een vergaande overschrijding van de termijn. De rechtbank vindt deze uitleg ook passen binnen de wettelijke uitzonderingsregeling voor het splitsen van een pensioenregeling in een zuiver en onzuiver deel. Bron: MvF 04-12-2013
    Lees verder >
  • De collectieve uitspraak op het massaal bezwaar tegen de BOF is gepubliceerd in de Staatscourant. Alle bezwaarschriften worden afgewezen en alle opgelegde aanslagen worden gehandhaafd.
    De collectieve uitspraak op het massaal bezwaar tegen de BOF is gepubliceerd in de Staatscourant. Alle bezwaarschriften worden afgewezen en alle opgelegde aanslagen worden gehandhaafd. De staatssecretaris van Financiën heeft in een besluit van 23 oktober 2012 besloten om de bezwaarschriften tegen aanslagen erf- en schenkbelasting waarbij voor niet-ondernemingsvermogen geen bedrijfsopvolgingsfaciliteit wordt verleend aan te wijzen als massaal bezwaar. Het gaat daarbij om de bezwaarschriften waarop op 23 oktober 2012 nog geen uitspraak is gedaan en bezwaarschriften die zijn ingediend tot en met de dag voorafgaande aan de dagtekening van de collectieve uitspraak. De bezwaarschriften hebben betrekking op de vraag of de toepassing van het gelijkheidsbeginsel als bedoeld in artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) of artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) met zich brengt dat de (voorwaardelijke) onbelaste geconserveerde waarde van de bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet 1956 (van 75%) (tekst jaar 2007 tot en met 2009) dan wel de (voorwaardelijke) vrijstelling van de bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet 1956 (van tenminste 83%) (tekst jaar 2010 en volgende) ook op ander vermogen dan ondernemingsvermogen van toepassing is. Er is een aantal bezwaarschriften geselecteerd en voorgelegd aan de rechter. In dit kader heeft de Hoge Raad op vrijdag 22 november 2013 uitspraak gedaan in vijf geselecteerde proefprocedures. De Hoge Raad heeft in verband met de rechtsvraag in alle procedures geoordeeld dat de vrijstelling van ondernemingsvermogen voor de erf- en schenkbelasting niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. De wetgever heeft volgens de Hoge Raad geen ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt tussen het belasten van ondernemingsvermogen en het belasten van ander vermogen. Met deze beslissing heeft de Hoge Raad de inspecteur derhalve in het gelijk gesteld. Gelet op dit oordeel doet de inspecteur voor alle als massaal bezwaar aangewezen bezwaarschriften collectief uitspraak op bezwaar. Hij wijst de bezwaarschriften af en handhaaft de opgelegde aanslagen. Tegen deze uitspraak kan geen beroep worden ingesteld. Wil men toch beroep instellen, kan men bij de inspecteur binnen een redelijke termijn een verzoek indienen om deze uitspraak te vervangen door een individuele uitspraak. De individuele uitspraak zal overigens gelijkluidend zijn aan deze collectieve uitspraak. Tegen de individuele uitspraak kan men binnen 6 weken na dagtekening beroep instellen bij de rechtbank. Dit beroep kan alleen de hierboven omschreven vraag betreffen. Bron: MvF 04-12-2013
    Lees verder >
  • De Tweede Kamer heeft bij de behandeling van de begroting van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een motie aangenomen waarin de regering wordt verzocht voor nieuwe zzp’ers een btw-identificatienummer te gebruiken dat niet gekoppeld is aan het burgerservicenummer (BSN) en bestaande zzp’ers de mogelijkheid te bieden een nieuw btw-identificatienummer aan te vragen.
    De Tweede Kamer heeft bij de behandeling van de begroting van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een motie aangenomen waarin de regering wordt verzocht voor nieuwe zzp’ers een btw-identificatienummer te gebruiken dat niet gekoppeld is aan het burgerservicenummer (BSN) en bestaande zzp’ers de mogelijkheid te bieden een nieuw btw-identificatienummer aan te vragen. Volgens de Tweede Kamerleden mevrouw Oosenburg (PvdA) en de heer Van der Linde (VVD) roept de regering in een campagne tegen identiteitsfraude burgers op om het BSN onleesbaar te maken. Het btw-nummer voor zzp’ers is echter gekoppeld aan hun persoonlijke BSN. Omdat ondernemers verplicht zijn een aantal gegevens waaronder het btw-nummer ‘gemakkelijk, rechtstreeks en permanent toegankelijk’ openbaar te maken voor hun afnemers, kan deze wettelijke verplichting fraudebevorderend werken, terwijl het doel van deze wettelijke verplichting juist is om ondernemers te beschermen tegen frauduleuze ondernemingen. Zij verzoeken daarom in een motie voor nieuwe zzp’ers een btw-identificatienummer te gebruiken dat niet gekoppeld is aan het BSN en bestaande zzp’ers de mogelijkheid te bieden een nieuw btw-nummer aan te vragen. Staatsecretaris Weekers heeft in een reactie de motie ontraden. Volgens de staatssecretaris zijn zzp’ers, die in de vorm van een eenmanszaak een onderneming drijven, als natuurlijk persoon de belastingplichtige voor de heffing van btw. Aangezien de Europese BTW-richtlijn vereist dat aan iedere belastingplichtige een individueel btw-identificatienummer wordt toegekend, is het niet mogelijk een nummer toe te kennen dat niet aan de persoon is gekoppeld. Ook een btw-nummer dat niet op het BSN is gebaseerd, zou dus een persoonsidentificerend nummer in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn. Zowel bij de totstandkoming van de Europese BTW-richtlijn als bij de implementatie ervan in de Wet op de omzetbelasting 1968, zijn de gevolgen van gebruik van een aan de persoon gekoppeld btw-nummer voor de persoonlijke levenssfeer afgewogen. Btw-nummers van zowel natuurlijke als rechtspersonen worden soms gebruikt voor het opmaken van valse facturen, met het oog op oneigenlijk gebruik van btw-regelingen. Het toekennen van een nieuw nummer, dat gelet op het voorgaande ook weer aan de btw-plichtige (rechts)persoon gekoppeld zal moeten zijn, biedt voor deze gevallen geen soelaas. De Belastingdienst besteedt in het kader van fraudebestrijding uiteraard wel de nodige aandacht aan dit fenomeen. Bij fraudemeldpunten op het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en bij de Belastingdienst zijn op dit moment geen signalen bekend van omvangrijk oneigenlijk gebruik van BSN-nummers die uit btw-nummers van eenmanszaken zijn afgeleid. Mochten de indieners van de motie over signalen beschikken waaruit wel af te leiden valt dat met BSN’s die direct afgeleid zijn uit btw-nummers wordt gefraudeerd, dan is het van belang om hiervan kennis te kunnen nemen. Dan kan bekeken wordt of hieruit patronen af te leiden zijn en welke actie ondernomen kan worden. Bron: MvF 03-12-2013
    Lees verder >
  • Vanaf 1 december 2013 geldt dat er verplicht gebruik moet worden gemaakt van één bankrekening voor uitbetalingen van inkomstenbelasting, omzetbelasting en toeslagen. Die ene bankrekening dient ten name te staan van de belastingschuldige c.q. toeslaggerechtigde.
    Vanaf 1 december 2013 geldt dat er verplicht gebruik moet worden gemaakt van één bankrekening voor uitbetalingen van inkomstenbelasting, omzetbelasting en toeslagen. Die ene bankrekening dient ten name te staan van de belastingschuldige c.q. toeslaggerechtigde. Heeft men een zogeheten en/of rekening, die mede op naam staat van de belastingschuldige, dan wordt de rekening als een rekening van de belastingschuldige aangemerkt. Een punt van aandacht is dat indien de bankrekening wordt gewijzigd voor de uitbetaling van inkomstenbelasting dit automatisch ook voor de toeslagen geldt en visa versa. Voor de omzetbelasting is het wel mogelijk een ander rekeningnummer te gebruiken, mits die ten name staat van de belastingschuldige. Voor de uitbetaling van toeslagen geldt een uitzondering voor de kinderopvangtoeslag. De kinderopvangtoeslag kan direct aan het kinderopvangbedrijf worden betaald. Hieraan zijn wel voorwaarden verbonden. Overigens ook in bepaalde uitzonderingssituaties kan een toeslag op een bankrekening van een derde worden overgemaakt. Denk bijvoorbeeld aan een curator, bewindvoerder of een gemeente. In dergelijke situaties is die derde ook aansprakelijk. Op grond van beleidsmatige overwegen gaat de Belastingdienst echter pas tot aansprakelijkstelling van die derde over indien het aan die derde is te wijten dat onjuiste of onvolledige informatie is verstrekt die aan de terugvordering ten grondslag liggen, of als die derde voordeel heeft gehad bij de te hoog of ten onrechte betaalde toeslag. Bron: MvF 20-11-2013
    Lees verder >
  • Op vrijdag 29 november 2013 heeft minister Lodewijk Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn plannen voor hervorming van het ontslagrecht en de WW naar de Tweede Kamer gestuurd. In het wetsvoorstel Werk en zekerheid zijn de maatregelen die in het sociaal akkoord met vakbonden en werkgevers zijn afgesproken uitgewerkt.
    Op vrijdag 29 november 2013 heeft minister Lodewijk Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn plannen voor hervorming van het ontslagrecht en de WW naar de Tweede Kamer gestuurd. In het wetsvoorstel Werk en zekerheid zijn de maatregelen die in het sociaal akkoord met vakbonden en werkgevers zijn afgesproken uitgewerkt. Met het wetsvoorstel wil het kabinet het ontslagrecht sneller, goedkoper en eerlijker maken, de rechtspositie van flexwerkers versterken en de WW meer richten op het snel weer aan het werk krijgen van ontslagen werknemers. Het voorstel is om de ontslagvergoeding vanaf 1 juli 2015 te vervangen door een transitievergoeding. Men heeft recht op deze vergoeding bij ontslag na een arbeidsovereenkomst van ten minste twee jaar. De vergoeding kan gebruikt worden voor scholing en om over te stappen naar een andere baan of een ander beroep. De transitievergoeding wordt afhankelijk van de duur van een dienstverband (tot tien jaar dienstverband een derde maandsalaris per dienstjaar, boven tien jaar half maandsalaris per dienstjaar) en is gemaximeerd op € 75.000 of een jaarsalaris bij een inkomen boven € 75.000. De keuzevrijheid voor de ontslagroute verdwijnt. Er komt een vast voorgeschreven route: ontslag om bedrijfseconomische reden via het UWV; ontslag om persoonlijke redenen via de kantonrechter. Ook zullen de procedures sneller verlopen. In alle gevallen krijgt de werknemer recht op een wettelijke transitievergoeding. De wettelijke bescherming tegen willekeur bij ontslag blijft behouden door een preventieve toetsing. De maximale duur van de publiek betaalde WW wordt van 1 januari 2016 tot 2019 stapje voor stapje teruggebracht van 38 naar 24 maanden. Werkgevers en werknemers kunnen in de cao wel afspraken maken om de WW-uitkeringen na 24 maanden – tot 38 maanden – uit eigen zak te betalen. Om de positie van flexwerkers te verbeteren kunnen ze straks eerder aanspraak maken op een vast contract. Niet na drie jaar, zoals nu, maar al na twee jaar. Ook wordt oneigenlijk gebruik van flexibele arbeidsvormen aangepakt. Zo komt er een betere ontslagbescherming voor werknemers die via payrolling werken en wordt het langdurig gebruik van 0-urencontracten aan banden gelegd en in de zorg helemaal verboden. Volgens het Centraal Plan Bureau zal de arbeidsmobiliteit van ouderen toenemen door de daling van de gemiddelde ontslagkosten; de vergoedingen bij ontslag worden per saldo lager. Gemiddeld blijft de ontslagbescherming volgens het CPB voor vaste contracten gelijk en neemt de bescherming voor flexibele contracten toe. Het CPB verwacht dat de maatregelen 20.000 nieuwe voltijdbanen opleveren als gevolg van een meer activerende WW. Bron: Min SZW 29-11-2013
    Lees verder >