Nieuwsarchief
Op deze pagina vindt u het archief met onze tips en adviezen. Wilt u meer informatie of heeft u vragen? Neem dan contact op met Onderweegs & De Groot Accountants en Belastingadviseurs.
 
  • Eerder dit jaar kondigde minister Bussemaker van het ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen aan dat de afdrachtvermindering onderwijs zou worden vervangen door een subsidieregeling. Daags voor Prinsjesdag heeft de minister het concept voor de regeling, Subsidieregeling pratijkleren, gepubliceerd.
    Eerder dit jaar kondigde minister Bussemaker van het ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen aan dat de afdrachtvermindering onderwijs zou worden vervangen door een subsidieregeling. Daags voor Prinsjesdag heeft de minister het concept voor de regeling, Subsidieregeling pratijkleren, gepubliceerd. De afschaffing van de WVA en de vervanging door de Subsidieregeling pratijkleren maken onderdeel uit van het pakket aan maatregelen in Belastingplan 2014. Doel van de regeling is werkgevers stimuleren om praktijkleerplaatsen en werkleerplaatsen aan te bieden. De subsidie is een compensatie voor de kosten die een werkgever maakt voor begeleiding van de deelnemer (zoals materiaalkosten, kosten van begeleiding, kosten verbonden aan inschakeling van intermediaire partijen). De werkgever maakt zelf de afweging aan welke type werknemers behoefte is en aan wie een leerwerkplek beschikbaar wordt gesteld. Werkgevers komen voor de begeleiding van de volgende groepen voor subsidie in aanmerking: Deelnemers aan een mbo-opleiding die een beroepsbegeleidende leerweg (bbl) volgen; Studenten die een hbo-opleiding volgen in de techniek (inclusief landbouw en natuurlijke omgeving), bestaande uit een combinatie van leren en werken. De werkcomponent moet onderdeel uitmaken van de opleiding. Dat geldt zowel voor duaal als deeltijd-hbo; Promovendi die tijdelijk zijn aangesteld of een arbeidsovereenkomst hebben bij een universiteit of een instituut van de KNAW of NWO: over hun loonkosten moeten afspraken zijn gemaakt met een privaatrechtelijke rechtspersoon of TNO; Werknemers van een privaatrechtelijke rechtspersoon of TNO die promotieonderzoek doen of een opleiding tot technologisch ontwerper volgen. Ook voor technologisch ontwerpers in opleiding (toio) die bij het tweede deel van hun reguliere opleiding hun ontwerpopdracht bij een privaatrechtelijke rechtspersoon doen, kan laatstgenoemde subsidie ontvangen. Een werkgever ontvangt subsidie naar verhouding van de periode dat hij begeleiding heeft verzorgd. Daardoor kan elk moment van het studiejaar iemand starten (of stoppen) bij de werkgever. Er hoeft dus geen sprake te zijn van een volledig jaar begeleiding om in aanmerking te komen voor subsidie. Na afloop van een studiejaar wordt het totale beschikbare subsidiebedrag naar evenredigheid verdeeld onder alle aanvragers die aan de voorwaarden voldoen. Het totale budget voor de regeling is verdeeld over de drie sectoren mbo, hbo en de promovendi/toio’s (op basis van de aantallen deelnemers/studenten/onderzoekers). Voor 2014 wordt uitgegaan van de volgende percentuele verdeling: Mbo sector: 92,76% van het totale budget (€ 190 miljoen) Hbo sector: 3,96% van het totale budget (circa € 8 miljoen) Promovendi/toio’s: 3,28% van het totale budget (€ 7 miljoen). Na 15 september van enig kalenderjaar wordt per sector het beschikbare bedrag verdeeld, waarbij het te ontvangen bedrag is gemaximeerd op € 2.700. Dit komt vrijwel overeen met het bedrag dat met de afdrachtvermindering onderwijs per kalenderjaar kon worden geclaimd. Indien in een van de sectoren middelen overblijven, worden deze naar verhouding over de twee andere budgetten verdeeld. Bron: Min OCW 16-09-2013
    Lees verder >
  • Het kabinet heeft op Prinsjesdag de Miljoenennota 2014 en het Belastingplan 2014 gepresenteerd. Het belastingpakket bestaat dit jaar uit vier wetsvoorstellen: Belastingplan 2014, Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit, Wet wijziging percentage belasting- en invorderingsrente en Overige fiscale maatregelen 2013. Veel maatregelen waren al uitgelekt, ook op fiscaal gebied.
    Het kabinet heeft op Prinsjesdag de Miljoenennota 2014 en het Belastingplan 2014 gepresenteerd. Het belastingpakket bestaat dit jaar uit vier wetsvoorstellen: Belastingplan 2014, Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit, Wet wijziging percentage belasting- en invorderingsrente en Overige fiscale maatregelen 2013. Veel maatregelen waren al uitgelekt, ook op fiscaal gebied. Hieronder vindt u een overzicht van de belangrijkste maatregelen. Algemeen De algemene heffingskorting voor inkomens tot € 19.645 stijgt met € 99, maar wordt afgebouwd in de tweede en derde schijf en daarmee inkomensafhankelijk gemaakt. In de vierde schijf (52%) verdwijnt de algemene heffingskorting in 2015. De overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting voor een alleenverdienerhuishouden met een niet-verdienende partner wordt verder beperkt. Het maximum van de arbeidskorting gaat in 2014 met € 374 omhoog, oplopend tot € 836 in vier jaar. Maar de arbeidskorting wordt voor de hogere inkomens (meer dan 225% van het minimumloon) in drie jaar afgebouwd naar nul. De belastingschijven worden niet aangepast aan de inflatie. De dubbele algemene heffingskorting in het referentieminimumloon wordt verder afgebouwd. Het maximale aftrekpercentage voor de hypotheekrenteaftrek gaat vanaf 2014 met 0,5%-punt per jaar omlaag; ter compensatie wordt de derde schijf (42%-tarief) verlengd met enige honderden euro’s. De belastingvrije schenking die verband houdt met de eigen woning van ouders aan kinderen gaat per 1 oktober 2013 omhoog naar € 100.000, de verhoging geldt tot 1 januari 2015. Ook wordt in die tijd de leeftijdsbegrenzing (leeftijd van het kind moet tussen de 18 en 40 jaar liggen) losgelaten. Schenkingen ter aflossing van de restschuld vallen onder de faciliteit. Periodieke giften kunnen met ingang van 1 januari 2014 per onderhandse akte plaatsvinden De keuzeregeling voor buitenlands belastingplichtigen wordt herzien. Het verlaagde btw-tarief voor renovatie loopt op 1 maart 2014 af. Ondernemers De afdrachtvermindering onderwijs wordt vervangen door de subsidieregeling praktijkleren. Het budget van de RDA-regeling wordt teruggebracht maar het percentage wordt verhoogd tot ongeveer 60%; de budgetten van de EIA, MIA en Vamil gekort. De drempelbedragen van de EIA, MIA en Vamil worden verhoogd tot € 2.500. De eerste schijf van de S&O-afdrachtvermindering wordt verruimd tot € 250.000, het tarief in de eerste schijf wordt verlaagd naar 35%. Ook komt er de mogelijkheid voor een jaaraanvraag en komen er ruimere verrekeningsmogelijkheden. Het percentage van de belastingrente wordt voor de Vpb vanaf 2014 gekoppeld aan de wettelijke rente voor handelstransacties met een ondergrens van 8%. De stamrechtvrijstelling voor nieuwe stamrechten wordt afgeschaft. Bestaande stamrechten worden bij uitkering voor 80% in de heffing betrokken. De werkgeversheffing van 16% voor inkomens boven € 150.000 blijft in 2014 bestaan. De zelfstandigenaftrek voor ondernemers wordt beperkt, maar minder dan het kabinet eerder had aangekondigd. Aanvankelijk zou de versobering in 2015 € 500 miljoen bedragen, maar dat wordt nu € 300 miljoen in 2015. De regels voor de dga met een vrijgestelde beleggingsinstelling worden aangepast. Auto’s Vanaf 1 januari 2014 geldt een MRB-vrijstelling voor alle motorvoertuigen van 40 jaar en ouder, voor oldtimers op benzine van 26 jaar of ouder komt er een overgangsregeling met een kwarttarief over het hele jaar mits er in januari, februari en december geen gebruik wordt gemaakt van de openbare weg. De regelgeving buitenlandse kentekens wordt aanscherpt. Accijnzen De accijnzen op diesel (3 cent), LPG (7 cent) en op bier, wijn, overige alcoholische dranken (5,75%) gaan omhoog. De voorgenomen verhoging van de tabaksaccijns met 9 cent wordt uitgesteld tot 1 januari 2015 omdat er ‘grenseffecten’ zijn (Nederlanders kopen veel tabakswaren in de buurlanden). De verbruikersbelasting op limonade (2,09 cent) en vruchtensap (1,57 cent) stijgt ook. Overig De integratieheffing btw wordt afgeschaft. In het kader van fraudebestrijding krijgt de Belastingdienst ruimere bevoegdheden om te controleren of iemand terecht of onterecht een toeslag krijgt. Ook kunnen mensen die opzettelijk onjuiste of onvolledige informatie verstrekken bij een aanvraag voor een toeslag, worden beboet. Nadat het depotstelsel in werking is getreden wordt een niet-gecertificeerde uitzendonderneming verplicht om een depot aan te houden bij de ontvanger. De inlener van arbeidskrachten van een niet-gecertificeerde uitzendonderneming krijgt de verplichting om 35% van de factuursom te storten ten behoeve van het depot van de betreffende uitzendonderneming. De betreffende uitzendondernemingen en hun inleners kunnen worden beboet met een verzuimboete van ten hoogste € 4.920 als zij hun respectievelijke verplichtingen niet nakomen. De regels voor het herleiden van het toetsingsinkomen na overlijden voor een toeslaggerechtigde worden aangevuld. De fiscale ouderenkortingen vervallen in 2015. In plaats daarvan krijgen ouderen een zogeheten ‘kop’ op de zorgtoeslag.
    Lees verder >
  • De regeling om belastingschulden per 1 januari in mindering te kunnen brengen op de bezittingen in box 3 wordt voor belastingjaar 2013 gewijzigd. Dit blijkt uit de herziening van een besluit dat onlangs is uitgebracht
    De regeling om belastingschulden per 1 januari in mindering te kunnen brengen op de bezittingen in box 3 wordt voor belastingjaar 2013 gewijzigd. Dit blijkt uit de herziening van een besluit dat onlangs is uitgebracht Voor de belastingjaren 2012 en eerder was een schriftelijk verzoek om een (nadere) voorlopige aanslag of een aangifte op tijd als deze vóór 1 oktober was ingediend. Vanaf het belastingjaar 2013 moet het schriftelijke of digitale verzoek om een (nadere) voorlopige aanslag 8 weken voor het einde van het kalenderjaar bij de Belastingdienst binnen zijn. De aangifte moet 13 weken voor het einde van het jaar worden ingediend. Mocht de belastingplichtige niet in staat zijn om voor de peildatum van box 3 te betalen, omdat de inspecteur meer tijd nodig heeft, dan keurt de staatssecretaris goed dat het bedrag dat op de niet tijdig opgelegde (nadere) voorlopige aanslag binnen de betalingstermijn is betaald op de peildatum niet tot de bezittingen in box 3 behoort. Het bedrag dat niet tot de bezittingen behoort, is gebaseerd op de volgens het verzoek of de aangifte op te leggen (nadere) voorlopige aanslag, maar ten hoogste het bedrag dat uiteindelijk op de aanslag is verschuldigd. De goedkeuring kan worden uitgevoerd door bij de aangifte het bedrag van één of meer van de (niet-vrijgestelde) bezittingen in box 3 te verlagen. De verlaging mag er niet toe leiden dat één van de bezittingen of het totaal van de bezittingen op een negatief bedrag uitkomt. Als de aanslag inkomstenbelasting over het betrokken belastingjaar al is opgelegd, kan de goedkeuring op schriftelijk of digitaal verzoek van de belastingplichtige worden uitgevoerd door een vermindering van de aanslag. Voor de belastingjaren tot en met 2010 geldt ook het volgende. In de situatie dat de peildatum van de heffing in box 3 valt in de loop van het kalenderjaar (bij overlijden of emigratie), geldt de goedkeuring ook als het verzoek om een voorlopige aanslag is ingediend uiterlijk drie maanden vóór die peildatum. In hetzelfde besluit wordt aangegeven dat de waarde in het economische verkeer op 1 januari 2012 en op 1 januari 2013 van de achtergestelde deposito’s en de vorderingen op DSB op nihil (€ 0) worden gesteld. Bron: MvF 03-09-2013
    Lees verder >
  • Volgens Hof Den Bosch is de eis van een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor het toepassen van de lage sectorpremie onverbindend. Volgens het hof is het schriftelijkheidsvereiste in strijd is met de Wet financiering sociale verzekeringen en valt het niet binnen de grenzen van de in die wet neergelegde delegatiebevoegdheid.
    Volgens Hof Den Bosch is de eis van een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor het toepassen van de lage sectorpremie onverbindend. Volgens het hof is het schriftelijkheidsvereiste in strijd is met de Wet financiering sociale verzekeringen en valt het niet binnen de grenzen van de in die wet neergelegde delegatiebevoegdheid. Een ondernemer met een uitzendbureau voor het glastuinbouwbedrijf is met verschillende werknemers mondeling arbeidsovereenkomsten voor meer dan een jaar aangegaan. De ondernemer past de lage sectorpremiepercentages voor de Werkloosheidswet (WW) toe. Volgens de Belastingdienst ten onrechte. In de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) is vastgelegd dat de sectorpremies door het UWV worden vastgesteld op een percentage van het loon en dat deze percentages voor de verschillende sectoren en sectoronderdelen kunnen verschillen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen hieromtrent nadere regels worden gesteld. Dit is ook gebeurd en daarbij is voor uitzendbedrijven geregeld dat een verlaagde sectorpremie geldt voor werknemers die blijkens een schriftelijke overeenkomst ten minste voor een jaar of voor onbepaalde tijd in dienstbetrekking zullen staan tot de werkgever. Het hof geeft aan dat de wettekst een premiedifferentiatie naar sectoren en sectoronderdelen regelt en geen instructie bevat om bepaalde eisen niet of juist wel te stellen voor toepassing van een vastgestelde sectorale premie, dan wel anderszins aan bepaalde voorwaarden te voldoen. Volgens het hof is het schriftelijkheidsvereiste in strijd is met de Wfsv. In de Wfsv is geregeld dat de premies voor de werknemersverzekeringen worden geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de loonbelasting geldende regels. Voor de loonbelasting geldt een mondelinge arbeidsovereenkomst ook als een arbeidsovereenkomst. Tot slot meent het hof dat het schriftelijkheidsvereiste niet binnen de grenzen van de in de Wfsv neergelegde delegatiebevoegdheid valt en dus jegens de ondernemer onverbindend is. Het hof stelt de ondernemer in het gelijk. Tegen deze uitspraak is geen cassatie ingesteld. Het is op dit moment niet duidelijk of de Wfsv en bijbehorende besluit zodanig zullen worden aangepast dat de gestelde eisen alsnog zullen gaan gelden voor toepassing van de verlaagde premie. Bron: Hof Den Bosch 27-06-2013
    Lees verder >
  • De Nederlandsche Bank (DNB) is namens het Nationaal Forum SEPA-migratie (NFS) een landelijke najaarscampagne gestart met als voornaamste doel het Nederlandse MKB te informeren en activeren voor de overstap op IBAN.
    De Nederlandsche Bank (DNB) is namens het Nationaal Forum SEPA-migratie (NFS) een landelijke najaarscampagne gestart met als voornaamste doel het Nederlandse MKB te informeren en activeren voor de overstap op IBAN. Vanaf 1 februari 2014 heeft Europa één gezamenlijke betaalmarkt (SEPA) waarin overal op dezelfde manier met de euro wordt betaald. Alle rekeningnummers moeten daarvoor worden vervangen door internationale rekeningnummers (IBAN). In het kader van de campagne zal twee maanden lang een speciale OveropIBAN-bus door het land rijden. De campagne is vooral bedoeld om bedrijven, overheden, verenigingen en alle andere organisaties te wijzen op de noodzaak om tijdig maatregelen te nemen voor de overstap op IBAN. De overgang naar SEPA-standaarden is voor veel bedrijven een ingrijpend proces omdat dit consequenties heeft voor onder andere de administratie, systemen en software. Uiteraard verschilt de impact per bedrijf, maar daarom is het des te belangrijker om inzicht hierin te krijgen. Zo zijn betalingen vanaf 1 februari 2014 alleen nog maar mogelijk met het langere rekeningnummer IBAN. Ook gebruikt iedereen dan de Europese standaarden voor betaalmiddelen als overschrijvingen en incasso’s. Bron: DNB 09-09-2013
    Lees verder >
  • Voormalig MKB-Nederland voorzitter Hans Biesheuvel is van start gegaan met een nieuwe ondernemersorgansisatie. In tegenstelling tot MKB Nederland zullen de leden van de nieuwe organisatie, Ondernemend Nederland (ONL), geen brancheorganisaties zijn, maar de ondernemers zelf.
    Voormalig MKB-Nederland voorzitter Hans Biesheuvel is van start gegaan met een nieuwe ondernemersorgansisatie. In tegenstelling tot MKB Nederland zullen de leden van de nieuwe organisatie, Ondernemend Nederland (ONL), geen brancheorganisaties zijn, maar de ondernemers zelf. Op haar website presenteert de nieuwe organisaties zich als een organisatie voor alle ondernemers (groot en klein) die gerund wordt door ondernemers. Die ondernemersachterban kijkt niet toe, maar bepaalt zelf de agenda. Continu zullen de wensen, meningen, uitdagingen van de deelnemende ondernemers worden gepeild en worden vertaald naar concrete actiepunten. ONL presenteert zich als regio- en sectoroverstijgend: moderne ondernemers verenigen zich op basis van ambitie, uitdagingen en profielen en niet op basis van regio of sector. Blijkens de website en de uitlatingen van initiatiefnemer Biesheuvel in de pers zet de nieuwe organisatie zich af tegen de bestaande ondernemersorganisaties en het Haagse circuit van beroepsvergaderaars. Tegenover het FD heeft hij het over een ‘belangenbehartiger van ondernemers, waarbij ze zelf de agenda bepalen en niet de baantjesjagers in Den Haag’. Voor een politicus is er dan ook wat hem betreft geen plaats in de nieuwe organisatie. Biesheuvel zelf verwacht dat de nieuwe organisatie, waar ondernemers dit jaar al voor een tientje lid kunnen worden, binnen enkele maanden minimaal 100.000 ondernemers aan zich zal kunnen binden. MKB-Nederland, de organisaties waarvan Biesheuvel tot 1 september voorzitter was, verklaart op haar website dat ze in de agenda van Biesheuvel en zijn organisatie herkenbare thema’s ziet, die in lijn zijn met die van MKB-Nederland. Net als Biesheuvel is MKB Nederland van mening dat alleen ondernemerschap, gesteund door consistent kabinetsbeleid, Nederland uit de crisis helpen. MKB-Nederland herkent zich - evenals VNO-NCW – echter in het geheel niet in het beeld dat Biesheuvel schetst van de branchestructuur van de vereniging en de samenwerking met VNO-NCW. Volgens MKB-Nederland werken beide juist effectief. Bron: Diverse media, 9-09-2013
    Lees verder >
  • De waarde van verhuurde panden wordt in box 3 berekend met behulp van de WOZ-waarde en de leegstandratio. Dat het werkelijk rendement daardoor lager is dan het forfaitaire rendement speelt hierbij geen rol.
    De waarde van verhuurde panden wordt in box 3 berekend met behulp van de WOZ-waarde en de leegstandratio. Dat het werkelijk rendement daardoor lager is dan het forfaitaire rendement speelt hierbij geen rol. Een belastingplichtige is eigenaar van vijf verhuurde panden. Op de verhuur is huurbescherming van toepassing. De WOZ-waarde van de panden is voor 2010 vastgesteld op € 556.000, € 556.000, € 222.000, € 222.000 en € 185.000. De bruto jaarhuur van de panden bedraagt respectievelijk € 3.873, € 3.912, € 4.937, € 5.096 en € 3.140. In zijn aangifte IB heeft de verhuurder de waarde van de panden als volgt aangegeven: € 333.600, € 333.600, € 159.840, € 159.840 en € 125.800. Deze waarden zijn door de inspecteur gecorrigeerd. Nadat het bezwaar van de verhuurder is afgewezen en hij ook bij de rechtbank geen gelijk heeft gekregen stapt de verhuurder naar het hof. Volgens de wet moet de waarde van een woning op de volgens de Wet WOZ voor die woning vastgestelde waarde voor dat kalenderjaar worden gesteld. Als de woning wordt verhuurd en op de verhuur zijn de bepalingen over huurbescherming van toepassing, dan wordt de waarde gesteld op een bepaald percentage van de WOZ-waarde. Dit percentage wordt de leegwaarderatio genoemd. Het percentage wordt bepaald aan de hand van de jaarhuur als percentage van de WOZ-waarde. De rechtbank is van mening dat de waarde van de panden in overeenstemming met de toepasselijke wettelijk bepalingen door de inspecteur juist is vastgesteld. Dat de waarderingsmethode in dit geval ongunstig uitpakt voor de verhuurder doet niet ter zake. Met het oog op eenvoud van uitvoering van de belastingheffing heeft de wetgever voor het systeem gekozen waarbij wordt uitgegaan van een forfaitair rendement waarbij geen rekening wordt gehouden met de daadwerkelijk ontvangen huuropbrengsten. Daarbij is aanvaard dat dit zowel in het voordeel als in het nadeel van een belastingplichtige kan werken. Het hof is het eens met de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Bron: Hof Amsterdam 18-07-2013
    Lees verder >
  • De Inspectie SZW heeft geconstateerd dat sommige malafide uitzendbureaus gebruik maken van valse SNA-certificaten. De Inspectie SZW adviseert daarom bedrijven om te controleren of het uitzendbureau waarmee ze werken ook werkelijk door SNA is gecertificeerd. Dit kan de inlener namelijk veel geld schelen.
    De Inspectie SZW heeft geconstateerd dat sommige malafide uitzendbureaus gebruik maken van valse SNA-certificaten. De Inspectie SZW adviseert daarom bedrijven om te controleren of het uitzendbureau waarmee ze werken ook werkelijk door SNA is gecertificeerd. Dit kan de inlener namelijk veel geld schelen. Bij onderzoeken stuitte het Interventieteam Malafide Uitzendbureaus op valse certificaten. De Stichting Normering Arbeid, die de certificaten uitgeeft, heeft inmiddels aangifte gedaan bij het interventieteam. Het interventieteam heeft proces-verbaal opgemaakt tegen de betrokken uitzendbureaus en deze processen-verbaal zijn ingeleverd bij het Openbaar Ministerie. Werkt een ondernemer met een gecertificeerd uitzendbureau dan zal het inlenende bedrijf geen schadeclaim krijgt als het uitzendbureau te weinig belastingen en premies afdraagt. Is het certificaat echter vals, dan kan de inlener wel opdraaien voor de niet-betaalde belastingen en premies. Via de site van de SNA (www.normeringarbeid.nl/ASP.NET/ZoekGecertificeerden.aspx) kan men in het register Normering Arbeid eenvoudig controleren of een uitzendbureau écht over een certificaat beschikt. Krijgt men te maken met een uitzendbureau dat ten onrechte een SNA-certificaat voert, meld dit dan onmiddellijk bij de SNA. De SNA doet hier vervolgens aangifte van bij het Interventieteam AMU. Let op: een inlener is ook verplicht om vooraf te controleren of het uitzendbureau bij de Kamer van Koophandel is ingeschreven. De boete voor het werken met een niet-geregistreerde inlener is € 12.000 per ingeleende werknemer. Meer informatie hierover is beschikbaar via de site van de Kamer van Koophandel (www.Kvk.nl/waadi). Let op als een uitzendbureau opvallend lage tarieven rekent. Dit kan een indicatie zijn dat men te maken heeft met een malafide uitzendbureau. Bron: Inspectie SZW 05-09-2013
    Lees verder >